De wet van de afnemende opwinding; Roman over telefoonsex van Nicholson Baker

Nicholson Baker: Vox. Uitg. Random House (geb.), 165 blz., Uitg. Granta Books, Londen (paperback) ƒ 33,50. Nederlandse vertaling door Rob van Moppes. Uitg. Amber, 151 blz. Prijs ƒ 27,50.

Het gonsde door de Amerikaanse, en later ook de Europese pers: Nicholson Baker, een nog jonge, serieuze schrijver die met drie boeken bescheiden succes had geoogst, had besloten om het over een andere boeg te gooien. Hij schreef een pornografische roman. Een roman over telefoonseks om precies te zijn, en daarmee hoopte hij deze keer echt door te breken.

Als ”doorbreken' hetzelfde is als aandacht trekken, dan is dat Baker ruimschoots gelukt. In Engelse kranten werd zelfs geadverteerd met een telefoonnummer dat belangstellenden kunnen bellen om een fragment uit Vox te beluisteren. Journalisten stonden in de rij voor een gesprek met de bebrilde intellectueel die zo'n opwindend boek had geschreven, en dat terwijl hij zelf, zwak van gezondheid, teruggetrokken in de provincie leefde met vrouw en kind.

”Wat heb je aan?' is de eerste, banale vraag die de man in Vox (van wie later blijkt dat hij Jim heet) stelt. Hij en Abby hebben allebei een sekslijn gebeld en zijn aan elkaar gekoppeld in een soort telefonisch achterkamertje. Vijfennegentig dollarcent per halve minuut kost het grapje; de een woont dan ook aan de Westkust, de ander aan de Oostkust van de Verenigde Staten. Maar hun urenlange gesprek is iedere cent waard, vinden zij al gauw. Het klikt, en niet zo'n klein beetje ook.

Wie van een uitgesproken schunnig boek zegt dat het toch erg goed geschreven is, roept tweeërlei soort argwaan op. Ten eerste klinkt het een beetje hypocriet. Daar is niets aan te doen. En ten tweede rijst het vermoeden dat het met de opwindende aspecten ervan misschien zo'n vaart niet loopt. Daar zit wat in. Vox is niet een boek om met één hand te lezen, zoals de vulgaire uitdrukking luidt. Daarvoor is het te vrolijk en te slim. De erotische spanning die het oproept is diffuus, niet specifiek. Zij gaat gepaard met iets als vertedering, en bovendien moet je af en toe ontzettend hard lachen.

Pornografie vraagt om blinde ledepoppen, literatuur om personages. Jim en Abby zijn op geraffineerde wijze allebei tegelijk. Over hun leeftijd, beroep of huwelijkse staat verneemt de lezer niets, maar wel komt hij allerlei persoonlijke eigenaardigheden van ze tegen: kleine, onbelangrijke gedachten en observaties waar de schrijver heel sterk in is. Zo mijmert zij over popsongs die aan het eind wegsterven (”die poging een indruk te wekken van oh yeah wij zijn een stel eindeloos creatieve vogels die de hele nacht doorspelen, en de boze ouwe platenproducent moet uiteindelijk wel de volumeknop dichtdraaien om te voorkomen dat wij de hele elpee vullen met één monsternummer...'), en beschrijft hij het genoegen dat hij beleeft aan het langzame aanspringen van de lichtgevoelige straatlantarens voor zijn raam.

Het is geen makkelijke kunstgreep om twee mensen van wie al op de eerste bladzij bekend is waar ze op uit zijn, meer dan honderdvijftig bladzijden lang een gesprek te laten voeren. Jim en Abby vertellen elkaar verhalen. Haar eerste verhaal is hilarisch. Zij verzint hoe in het erotica-postorderbedrijf waar hij iets besteld heeft, de mannelijke fotomodellen moeten inspringen omdat de Laotiaanse inpaksters staken, en hoe zij in hun krappe broekjes het pakje uit de onafzienbare magazijnen tevoorschijn halen, neuriënd op de wijs van het lied van de Wolgaschippers en krankzinnige rituelen volvoerend met het paar nylons in kwestie.

In het verhaal dat hij even later vertelt speelt zij, zijn onbekende gespreksgenote, de hoofdrol. Hij laat het aansluiten op een detail in haar kamer dat zij zojuist heeft meegedeeld en vertelt het dus echt voor haar. Er onstaat iets van wederzijdse tederheid. Beiden vinden het 't leukst als de ander het leuk vindt. Dat brengt ze - want deze mensen zijn niet van de straat - dan weer tot speculaties over het wetmatig afnemen van de opwinding: als de een vooral opgewonden wordt van dingen die de ander opwinden moet hij afzien van wat hij zelf het opwindendst vindt, wat dan weer betekent dat het voor haar minder opwindend wordt, enzovoort.

Maar over die wet komen Jim en Abby moeiteloos heen. Er volgen meer verhalen, verzonnen en echt gebeurd en meestal met een absurde inslag. Zoals dat over een collega die een fotokopie van zijn mannelijk deel probeert te maken en om technische redenen toch moet besluiten tot een simpele omtrektekening. Of, in een van de laatste verhalen, wanneer zij een wat sullige potentiële minnaar overgiet met in de magnetron opgewarmde olijfolie en hem zover krijgt dat hij haar bad blinkend schoon poetst. Haar verhalen zijn humoristischer dan de zijne. Maar hij mag het laatste verhaal vertellen, althans, hij begint. Uiteindelijk vertellen zij het samen, aan elkaar, en natuurlijk gaat deze apotheose van het boek over hoe zij, Jim en Abby, elkaar ontmoeten. De lezer zit erbij en vraagt zich gespannen af of die langverwachte vrijpartij wel op de klassieke wijze zal eindigen want er zijn omstandigheden die daar tegen pleiten...

Niet onverwacht noemden sommige critici Vox yuppenporno. Het kan zijn. Yuppies, die natuurlijk ook maar een idee zijn, staan er in ieder geval niet om bekend dat zij van slechte kwaliteit houden. En dat je voor een boek als dit wel in de juiste stemming moet zijn, is ook geen steekhoudend verwijt, want geldt dat niet voor de meeste boeken?

De vertaling die Rob van Moppes maakte van Vox is niet slecht, hoewel soms een beetje woordrijk. Bij de benamingen voor intieme menselijke onderdelen (en handelingen) is het per definitie moeilijk om goede equivalenten te vinden voor woorden die een schrijver misschien wel in de loop van een half leven heeft opgedaan - maar ”tokkelen” voor strumming is in ieder geval niet slecht. En dat is de bezigheid waar het uiteindelijk allemaal om draait voor de eenzame beller van een sekslijn.