De reuk van inkt en papier

Voordat ik dertig jaar geleden bij een regionale krant aan mijn journalistieke loopbaan begon, diende ik drie maanden stage te lopen in de technische afdeling van het bedrijf. Zo leerde ik, gekleed in een stofjas, koperen letters in een haak zetten, koppen gieten met behulp van de ludlow, de linotype - een reusachtig uitgevallen typemachine waarmee regeltjes in lood werden gezet - bedienen, pagina's opmaken, deze pagina's prägen zodat van de op karton lijkende platen loden cylindervormige stypen konden worden gegoten, die op de persen werden gelegd en de rotatiepers op gang brengen.

Die pers was een vervaarlijk grommende mastodont, die des te meer ontzag inboezemde omdat hij zich bevond in een spaarzaam verlichte kelder, waar zijn bevechters baadden in het zweet en de vloer schudde van het geweld. Dat waren de krochten van het krantenbedrijf, waar men zich voelde als in een kolenmijn.

's Nachts als de krant werd gemaakt, hielden we wel eens wedstrijden om te kijken wie het langste stuk gezette tekst, dat bestond uit tientallen losse loden regels, geklemd tussen de duimen en de pinken, door de zetterij kon dragen. Overmoed wordt bijna altijd afgestraft en dus viel het zetsel meer dan eens op de stenen vloer in "de pastei', zoals dat in vaktermen heette. De typografen waren eigenzinnige mensen, die zich sterk bewust waren van de schoonheid van hun vak en van hun macht omdat ze zich als eersten organiseerden in een vakbond, waarvan men destijds verplicht lid diende te zijn en waarvoor de krantedirecties stiekem heilig ontzag hadden.

Het was een mooi, maar door de dag- en nachtdiensten en door het vele werken met lood ook een redelijk ongezond vak, dat in de krantewereld van vandaag geheel en al ter ziele is. Een linotype zag ik laatst terug in het Gutenbergmuseum in Mainz, waar het - hoewel dertig jaar geleden nog in zwang - stond als ware het een voorwereldlijk verschijnsel. Eenzelfde exemplaar staat tegenwoordig in de drukkerij van deze krant aan de Waalhaven.

Nu gaat alles met computers en is het zet- en drukproces goeddeels geautomatiseerd. Voor de romantiek van vroeger is het ontzag in de plaats gekomen voor geavanceerde technieken waarmee de bijna 260.000 exemplaren van NRC Handelsblad in nog geen anderhalf uur worden gedrukt.

Hoewel ik al tweeënentwintig jaar voor dit geachte medium werk, had ik me nog nooit de moeite getroost me echt te verdiepen in de verworvenheden van de moderne techniek. Journalisten zijn merkwaardige mensen, die er vast van overtuigd zijn dat zij de spil vormen van een krant en die het in het algemeen een zorg zal zijn wat er voor en na hun nobele inspanningen technisch allemaal gebeurt: als het maar gebeurt en als ze 's avonds maar lichtelijk zwelgend kunnen genieten van de vruchten van hun arbeid.

Op een excursie door het technische bedrijf van deze krant ontdekte ik dat van het soms wat morsige werk van weleer niet veel meer over is. Het vak van typograaf is in de krantewereld aan het uitsterven en zal straks geheel zijn verdwenen als de elektronische paginavormgeving is ingevoerd: een verantwoordelijkheid van de "opmaakredacteuren'. Journalisten gebruiken hun pen alleen nog maar om het nieuws te noteren en schrijfmachines zijn vervangen door tekstverwerkers, waarachter ze goeddeels verborgen zitten. Tekst wordt al lang niet meer in lood gezet, maar met behulp van fotozetmachines en het zetsel wordt niet meer in mallen geplaatst maar direct op vellen papier ter grootte van de pagina van de krant geplakt en in ons geval met behulp van straalzenders overgeseind naar de drukkerij, die aan de Waalhaven staat. Dat zenden neemt niet meer dan één minuut per pagina in beslag. Het gaat via een 200 meter hoge telecommunicatietoren van de PTT aan de Waalhaven. Omdat onze krant niet alleen daar, maar ook gedeeltelijk in Amsterdam en in Zwolle wordt gedrukt, gaan de pagina's via dezelfde toren ook derwaarts.

De excursie vond plaats op het moment dat het in het bedrijf spitsuur was. Dan lopen zowel de redacteuren als de technici vaak op de toppen van hun zenuwen, want de tijdstippen waarop de pagina's moeten "zakken' zijn net zo heilig als de vertrektijden bij de Nederlandse Spoorwegen zouden moeten zijn.

Op het moment dat we naar de Waalhaven reden moesten zich door de lucht over de breedbandige verbinding de pagina's bewegen. Wat zou het mooi zijn als men de krantepagina's hoog in het zwerk zou kunnen zien als vliegende tapijten in een Oosters sprookje.

Na aankomst in de drukkerij worden van de pagina's negatieven gemaakt, die op dunne aluminium platen worden afgedrukt, die op de cylindervormige rollen van de persen worden gemonteerd waarna het drukken kan beginnen. Dat gaat in een tempo dat onder een hels kabaal steeds hoger wordt opgevoerd: tot 60.000 exemplaren per uur. De kranten bewegen zich vervolgens via een transportband door de lucht op weg naar de expeditie, waar ze in vrachtwagens worden geladen om over het land te worden verspreid. De laatste vrachtwagen moet om kwart over vier vertrokken zijn. Overal in het land staan op de distributiepunten de 4000 krantenjongens - een door de vergrijzing van de bevolking uitstervend slag - met hun fietsen klaar om ze in de brievenbussen te deponeren.

Aan de Waalhaven worden behalve NRC Handelsblad ook het Algemeen Dagblad en zijn kopbladen, het Rotterdams Dagblad en huis- aan huisbladen gedrukt: tezamen 1,2 miljoen kranten per etmaal. Voor die kranten is wekelijks 12.000 kilometer papier nodig. Dat papier zit op rollen die meer dan 1 ton wegen. Elke week wordt 11.000 kilo inkt en 70.000 kilowatt/uur elektriciteit verbruikt.

Het was goed om in de drukkerij weer de reuk van inkt en papier te kunnen opsnuiven. Die reuk heeft alle technische vernieuwingen overleefd. Hij heeft nog altijd dezelfde uitwerking op me als de geur van een bloeiend korenveld: hij brengt me in een zekere staat van opwinding, hij maakt dat ik me kranteman voel.

Foto NRC Handelsblad/ Vincent Mentzel: De pers, een vervaarlijk grommende mastodont