De gracieuze balletten van Bournonville; Bravoure is taboe

Kunst moet de toeschouwer helpen een harmonieus mens te worden, zo luidde het credo van de Deense choreograaf August Bournonville (1805-1879), aan wiens werk in Kopenhagen een festival werd gewijd. Zijn balletten gaan over schoenmakers, vissersjongens en boerenzoons.

Hoewel over de hele wereld de klassieke ballettechniek fervent beoefend wordt en een aantal balletwerken uit de vorige eeuw regelmatig te zien is, zijn er maar weinig plaatsen waar de 19de eeuwse traditie in haar oorspronkelijke vorm bewaard is gebleven. Rusland geldt als een van die bolwerken. De befaamde Russische stijl is ontstaan uit een mengeling van Italiaanse, Franse en Deense scholingsmethoden, daar gebracht door balletmeesters uit die landen als Cecchetti, Petipa en Christian Johansson. De laatste was een leerling van de in 1805 in Kopenhagen geboren balletmeester en choreograaf August Bournonville. Bournonville werd opgeleid door zijn Franse vader Antoine die zich in 1792 in Kopenhagen vestigde en door Vincenzo Galeotti. Hij studeerde en werkte enkele jaren in Parijs en had vanaf 1830 tot twee jaar voor zijn dood in 1879 met een korte onderbreking het Ballet van het Koninklijk Theater onder zijn hoede.

In dit theater worden de werken van deze kunstenaar nog steeds liefdevol in stand gehouden. Denemarken vervult weliswaar geen rol van betekenis bij de dansvernieuwing, maar qua dans- en trainingsmethode is het internationaal belangrijk, vooral wat de mannelijke vertegenwoordigers betreft. Georges Balanchine herkende de kwaliteiten van de Denen en trok Stanley Williams als leraar aan voor de School of American Ballet en hij engageerde voor het New York City Ballet dansers als Helgi Tomasson, Ib Andersen en de huidige directeur van het gezelschap Peter Martins en noemde hen “my Danish pastries”. Ze werden allen opgeleid aan de in 1771 opgerichte school in Kopenhagen, evenals internationaal befaamde Deense sterren als Henning Kronstam, Flemming Flindt, en Peter Schaufuss, nu directeur van het Ballet van de Duitse Opera in Berlijn.

Het was Harold Lander, directeur van het Koninklijk Deens Ballet van 1932 tot 1951, die de Deense stijl buiten Denemarken propageerde via zijn werk Etudes en door het instuderen bij talloze balletgroepen van Bournonville's La Sylphide en bekende fragmenten uit diens Konservatoriet, Kermessen i Brügge, Blomsterfesten i Genzano en Napoli.

In Nederland heeft men nauwelijks kennis kunnen nemen van de Deense schatten uit de dansgeschiedenis. Solisten van het Koninklijk Deens Ballet traden hier slechts tweemaal op en hoewel de befaamde Deense danser en Bournonville-kenner Hans Breena tot zijn dood een regelmatig terugkerende gastleraar was bij het Nederlands Dans Theater en de Alkmaarse balletschool zich enige tijd met de Bournonville-stijl bezighield, was de invloed daarvan niet heel belangrijk.

De Bournonville-stijl is gracieus en harmonieus, heeft veel zich snel door de ruimte verplaatsende passencombinaties bestaande uit laag langs de grond vliegende, kleine sprongen met voetwisselingen in de lucht, heeft grote, lichte, door de ruimte klievende sprongen, flitsend voet- en onderbeenwerk en ronde, ontspannen armen die vaak stil in een lage positie gehouden worden en zo geen hulp kunnen bieden aan het aanzetten van een beweging. Andere kenmerken zijn de gedraaide posities van hoofd en schouders ten opzichte van het lichaamscentrum en de evenwichtsexercities die een grote lichaamsbeheersing vereisen.

Bournonville's altijd verhalende balletten bestaan uit hetzelfde materiaal als waaruit zijn lessen zijn samengesteld. Opvallend is dat meisjes en jongens een gelijkwaardige rol krijgen: zij voeren ook in de grote pas de deux's vaak identieke passencombinaties uit. De mannelijke danser is nooit alleen maar een ondersteunende partner van de ballerina en van de meisjes wordt een even grote sprongkracht vereist als van de mannen. Het vertoon van spectaculaire virtuositeit en bravoure is taboe. Alles dient op een ontspannen en gracieuze manier te worden uitgevoerd en daar zijn die Deense dansers dan ook meesters in.

Hoewel sinds de komst van de Russisch geschoolde Vera Volkova in 1951 vernieuwingen in het Deense scholingssysteem zijn ingevoerd en de pure Bournonville-lessen er nog maar een klein onderdeel van vormen, blijft men de tradities trouw, al was het alleen maar om de Bournonville-werken te kunnen uitvoeren zoals zij gecreëerd werden. Terecht rekent het Koninklijk Deens Ballet onder de bezielde leiding van Frank Andersen het tot zijn taak deze zo puur mogelijk aan een volgende generatie door te geven zonder ze te doen verstarren in museumstukken.

Balsem

Het Bournonville-festival, dat van 28 maart tot en met 5 april in Kopenhagen plaats had, bood een indrukwekkend overzicht van de kleinoden die de Deense dans uit de 19de eeuw bezit. Niet alleen bieden de getoonde Bournonville-balletten en -fragmenten (de avondvullende werken Napoli (1842), Abdallah (1855), Et Folkesagn (1854), de kortere werken Sylfiden (1836), Livjaegerne Pß8a Amager (1871), Kermessen i Brügge (1851) en fragmenten uit onder andere Konservatoriet (1849), Blomsterfesten i Genzano (1858), en La Ventena (1854)) een overvloed aan briljant voetenwerk en kleine en grote sprongen die praktisch nergens meer te zien zijn, ze bevatten ook een overvloed aan mime- en spelscènes die van de dansers veel inlevingsvermogen en acteertalent vragen. De natuurlijkheid waarmee zowel aan de razendmoeilijke danstechnische eisen als aan de acteeropgaven wordt voldaan, maken de balletten een lust voor het oog en balsem voor de ziel.

Dat was ook Bournonville's streven. Zijn credo was dat kunst positief diende te zijn en de toeschouwer moest helpen tot een harmonieus mens uit te groeien. In Bournonville's balletten wordt volop gebruikgemaakt van theatrale effecten. In Abdallah zitten verbluffende decorwisselingen en verdwijnen personen in de grond. In La Sylphide wordt door de lucht gezweefd en in Napoli verwisselt de hoofdrolspeelster in een oogwenk van kostuum, het oude ziet men niet meer. Een truc waarbij - onzichtbaar voor het publiek - een stofzuiger gebruikt wordt. Je gelooft je ogen niet.

Bij Bournonville's avondvullende werken worden altijd kinderen (vanaf zes jaar) betrokken en voormalige sterdansers nemen de oudere rollen voor hun rekening. Zo trad in de gevarieerde galavoorstelling die het festival afsloot (er waren onder andere interessante filmfragmenten van uitvoeringen uit de eerste decennia van deze eeuw in te zien), de 79-jarige Niels Björn Larssen op als de straatzanger in Napoli. Een fantastisch performer die een vitaliteit en spiritualiteit uitstraalt waar menig jonge danser jaloers op kan zijn. In een discussieprogramma over de waarde van reconstructies, verhaalde deze ex-danser en -balletleider op humoristische wijze over zijn danserscarrière.

Het Koninklijk Ballet en de school zijn onder één dak gehuisvest, en zoals gezegd worden de leerlingen vanaf de eerste dag in het repertoire ingezet. De zes tot zestienjarigen doen aan zo'n honderd voorstellingen per jaar mee, op een hartverwarmende en kundige wijze. Zij vormen met het ballet één grote familie waarin zeker rangen en standen zijn, maar waarin de solisten zich nooit als boven iedereen verheven sterren presenteren. Ze vervullen met evenveel inzet kleinere en zelfs corps de ballet-rollen. Dat komt ook voort uit het feit dat Bournonville's balletten nooit over prinsen en prinsessen gaan. Schoenmakers, vissersjongens, boerenzoons en dochters van dorpelingen zijn de centrale figuren. Ze blijven ook altijd bij het geheel betrokken en verdwijnen nooit automatisch in de coulissen na een solo of pas de deux.

Dit leidt tot een andere benadering van het solistendom. De Deense dansers horen tot de adel van de dans en men had de gastsolisten in het gala, Julio Bocca en Nina Ananiashvili eigenlijk niet nodig. Nicolaj Hübbe, Lloyd Riggins en de jonge Johan Kobborg, Victor Alvarez en Michael Weidinger zijn sterren van wereldformaat en de net van school komende tieners Thomas Lund en Mads Blangstrup dienen zich nu al aan als belangrijke toekomstige solisten. Bij de vrouwen frapperen onder anderen Lis Jeppesen, Rose Gard, Silja Schandorff en Henriëtte Muus door persoonlijkheid en acteervermogen.

Het Koninklijk Deens Ballet houdt zich niet alleen met het verleden bezig. Het repertoire bevat zestien Balanchine-balletten en verder werken van bijvoorbeeld Johan Neumeyer, John Cranko, Maurice Béjart, Jérôme Robbins, Hans van Manen, Nils Christe, Laura Dean en van de Deense choreograaf Flemming Flindt.

Hoezeer traditie ook een rol speelt, het Bournonville-festival is geen traditie. Het eerste werd dertien jaar geleden gehouden, het volgende zal pas in 2005 plaats hebben. Maar hopelijk zal dit koninklijk gezelschap, waarvan koningin Margrethe II de beschermvrouwe is - zij woonde alle voorstellingen bij en ontwierp de kostuums en het decor voor Et Folkesagn - al op een eerder tijdstip in Nederland optreden. Anders is het zeker de moeite waard de jaarlijkse Bournonville-zomercursus eens te bezoeken.