De ethiek van Tonny van der Hummekreek

Op weg naar het Tweede Tijdschriftencongres, in het Amsterdamse Theater Tuschinski, had ik mij bij de sigarenman de bladen De Nieuwe en Weekend aangeschaft. Niet omdat ik plotseling mijn verstand had verloren, maar omdat de respectieve hoofdredacteuren Peter Muller en Tonny van der Hummekreek diezelfde ochtend zouden gaan spreken over het onderwerp "Journalistiek en Ethiek'.

Hoe bedenk je het!

De Nieuwe is gespecialiseerd in artikelen als "Zijn tong is twintig centimeter lang!' en "Kennedy gezien bij zijn eigen graf!' Het hoogste ideaal van Weekend is tot "een volwassen roddelblad' uit te groeien. Mag allemaal van mij, maar niettemin moet worden geconstateerd dat beiden, zowel Peter Muller als Tonny van der Hummekreek - die bij nader inzien trouwens Hummie van der Tonnekreek bleek te heten - van journalistiek en ethiek evenveel verstand hebben als een olifant van Andalusische flamengo.

Toch kwam die Muller eigenlijk wel aardig uit de hoek. De Nieuwe, zei hij, heeft geen journalistieke en maatschappijkritische pretentie. Het Haarlems Dagblad moge hebben beweerd dat de hoofdredacteur van De Nieuwe over “het geestelijk leven van een broodje ham” beschikt, dat wil nog niet zeggen, dat hij, Muller, er zomaar op los schrijft. Integendeel! “Juist in deze tijd van zedenverwildering en normvervaging is het goed dat er althans nog één hoofdredacteur bestaat die zichzelf de vraag stelt: Gaat dit niet te ver?”

Tonny van der Hummekreek - die in werkelijkheid dus Hummie van der Tonnekreek wordt genoemd - etaleerde op haar beurt het melange van aangebrande agressie dat het milieu van de verhandelde roddel eigen is. Al na vijf woorden sprak zij, met zo'n snerp in haar stem, over zogenaamde "integere journalisten', die “hun schaamtegevoel op de roddelbladen afreageren”. Waarna een volstrekt onduidelijk betoog volgde over - meen ik - het weekblad Nieuwe Revu dat het niet aan zou durven - geloof ik - een foto van een bordeelsluipende politicus te publiceren en bangelijk het moment zou afwachten - als ik het goed heb begrepen - dat Weekend in dezen het voortouw zal nemen.

De hoofdredacteur van dit wakkere weekblad werkt in de avonduren aan een essay "over de ontstane chaos in de Nederlandse maatschappij'.

Waren genoemde sprekers op dit symposium, temidden van al die hooggeplaatste bladenmakers, uitgevers, reclamemakers en marketingspecialisten, niet enigszins misplaatst?

Welnee, want van een symposium was eigenlijk geen sprake. Het was veeleer een gezelligheidsbijeenkomst waarop, teneinde de toegangsprijs (ƒ 750 exl. BTW) te rechtvaardigen, tussen de koffie en de thee, de lunch en het avondlijk buffet, enig geruis moest worden gemaakt.

Door prof. Pim Fortuyn bijvoorbeeld. Hij sprak over de calculerende burger in het Europa van de regio's, hetzelfde Europa waarin de soevereine staten worden ontmanteld gezien de dreigende afscheiding van Noord-Italië, de imperialistische neigingen van Frankrijk en de positie van Schotland na de verkiezingen in Groot-Brittannië - zonder er in te slagen de zaal duidelijk te maken wat één en ander te maken heeft met de wondere wereld van het geschreven woord.

Anders dan de Brit Alan Smith. Die had wetenschappelijk onderzoek verricht naar het multi-media-effect van de reclameboodschap, waarbij hij tot de ontdekking was gekomen “dat een mix van gedrukte reclame en tv-reclame het beste verkoopresultaat garandeert”. Tja, daar hoef je geen hogere reclamekunde voor te hebben gestudeerd, dunkt mij - want als je, behalve de kranten en de tv-zenders ook nog alle radiostations en alle plaatselijke bill boards afhuurt, om ten slotte alle brievenbussen met direct mail vol te proppen, zijn je verkoopresultaten ongetwijfeld nòg beter.

En zo zit je in een roodpluchen loge braaf naar al die wilde lucht te luisteren, je andermaal realiserend dat reclame en wetenschap eigenlijk twee verschillende werelden vormen, hoe gewichtig de marketingspecialisten en mediadeskundigen ook doen. Lang heeft de reclame in het tijdperk van de natte vinger verkeerd. Toen is het vak geprofessionaliseerd, hetgeen af te zien valt aan de vele planken deftig drukwerk, die er inmiddels over dit vak zijn gepubliceerd. Maar nog steeds denk ik dat een beetje getalenteerde reclameman dat allemaal niet nodig heeft en een aardig eind op weg komt met het gezonde verstand dat hem leert dat een smakelijk ogend krentenbrood beter communiceert dan een krentenbrood waaruit de maaien kruipen.

Weet u dat er in Nederland niet minder dan vijfentwintighonderd verschillende titels op de markt zijn? Het lijkt voor drukwerkverslaafden een luxueus aanbod. Helaas, het merendeel van deze titels heeft slechts in theorie met zoiets als journalistiek te maken. Het zijn bladen als Diana, Knip, Anoniem, Knippie, MAN, Hart voor Dieren, Penthouse en Playboy, tijdschriften die, volstrekt anderssoortig als zij zijn, aan het serieuze aanbod op de Nederlandse bladenmarkt, eigenlijk een eigen standorganisatie zouden moeten hebben. Zij stonden allemaal, de commerciële bladen en de wat minder commerciële bladen, in de hal van Tuschinski geëtaleerd en het was komisch om te zien hoe de vier voorhanden exemplaren van Playboy binnen twee minuten in de blitse attachékoffertjes waren verdwenen.