De Britse ziel

EN ZO HEBBEN de Britten op het laatste moment besloten de Conservatieve partij aan de macht en John Major in Downing Street te laten.

De premier was voor de verkiezingen waarschijnlijk de enige man in het land, die weer een absolute meerderheid voor zijn partij voorspelde. En hij moest wel in die functie. Vanaf het moment dat de verkiezingen werden uitgeschreven, ruim een maand geleden, heeft Labour steeds aan kop gelegen. De voorsprong van de socialisten fluctueerde, maar wees niet op een absolute meerderheid voor Neil Kinnock in het Lagerhuis. Daarvoor zou een verschuiving van acht procent tussen de twee grote partijen nodig zijn. Het zijn er uiteindelijk twee geworden.

De meest waarschijnlijke uitslag was een onbesliste - met kansen voor de Liberale Democraten van Paddy Ashdown om in het centrum op de wip te gaan zitten. Met als consequentie dat er ernstig onderhandeld zou moeten worden over een verandering van het unfaire kiessysteem. Maar de kiezers hebben in hun wijsheid anders beslist. De Conservatieven komen voor de vierde achtereenvolgende keer aan de macht, en dat is niet gebeurd sinds Lord Liverpool in 1822. John Major is nu op eigen kracht premier, niet langer als beschermeling van Margaret Thatcher.

DE VRAAG IS: wat is er gebeurd in die laatste vierentwintig uur? Zelfs onderzoeken bij de uitgang van stembureaus, die als betrouwbaar gelden, voorspelden een zogenoemd "hung parliament'. Wat heeft die massa rancuneuze Schotten, karig beloonde gepensioneerden, werklozen, de duizenden mensen uit de middenklasse die hun huis gedwongen moesten verlaten - wat heeft hen bewogen op het laatste moment weer Tory te stemmen? Het land zit nog in een diepe recessie, de stemming was somber na dertien jaar conservatief bewind. Als er eén verkiezing was waarbij de socialisten hun kans hadden moeten grijpen, dan was het deze.

Wat heeft Labour fout gedaan? Neil Kinnock is er de afgelopen jaren in geslaagd zijn eigen imago en dat van de Labourpartij te verbeteren. Hij wist het beeld van een revolutionaire heethoofd af te schudden, en hij heeft een uitstekende campagne gevoerd. Neil Kinnock, de staatsman, het leek niet meer zo onwaarschijnlijk. De socialisten zijn ook met een redelijk en gematigd programma de verkiezingscampagne in gegaan. Zij wilden belastingverhoging, maar beloofden het geld te besteden aan onderwijs en nationale gezondheidszorg. Verder geen driftige zaken zoals ingrijpende nationalisaties of her-nationalisaties (uitgezonderd water en elektriciteit) of herstel van de macht van de vakbeweging. De internationale ontspanning verloste Labour van het dilemma van de eenzijdige kernbewapening. De kiezers raakten ook niet in paniek door een voorstel van Labour om het Hogerhuis, die interessante en fossiele collectie van adel en bisschoppen, tot een democratisch gekozen instituut te maken.

LABOUR HEEFT niet veel fout gedaan in de campagne, de Tories hebben niet veel goeds laten zien. John Major, intens fatsoenlijk maar zo grijs dat hij nauwelijks zichtbaar is op een zwart-wit televisiescherm, wekte ook in eigen partij overwegend verveling op. De Tories presenteerden opnieuw belastingverlaging en plannen om uit de economische crisis te komen. Die waren rijkelijk vaag, maar ze waren wél duidelijk over constitutionele hervormingen. Afschaffing van het Hogerhuis, hervorming van het kiesstelsel - vervanging van het districtenstelsel door evenredige vertegenwoordiging -, een eigen parlement voor de Schotten: geen sprake van.

Wat er precies is omgegaan in de Britse ziel, het blijft een mysterie. Het kan niet zo zijn dat men collectief de behoefte had om de opiniepeilers, die tientallen miljoenen gulden hebben binnengehaald, eens goed belachelijk te maken. Waarschijnlijker is dat de Britten wekenlang overwegend rationeel hebben gereageerd, maar dat op het laatste moment instincten en emoties de overhand hebben gekregen. En angst voor veranderingen.

Vermoedelijk hebben de schaduwen uit het vuurrode verleden Neil Kinnock en de Labourpartij op het laatste moment ingehaald. De vakbonden hebben zich de laatste tijd keurig gedragen, maar de herinnering aan de jaren zeventig met hun diepe sociale conflicten zijn nog niet vergeten. En neem Schotland, waar de Tories weggevaagd leken te worden. Het ressentiment tegen de Engelsen is groot in dat land en de Schotse Nationale Partij wil daarom onafhankelijkheid. Labour bood het compromis aan van een eigen deelparlement, maar John Major voorspelde rampen bij een breuk en week geen duimbreed.

WAARSCHIJNLIJK is ook, dat de conservatieve paniekzaaierij tegen evenredige vertegenwoordiging succes heeft gehad. Het oude argument is altijd geweest dat coalitieregeringen per definitie onmachtig zijn omdat er compromissen moeten worden gesloten. Na de bijna permanente economische recessies van de afgelopen dertien jaar klonk dat niet zo krachtig. Daarom haalden de Tories andere paarden van stal. Men sprak van een “pact met de duivel”. De minister van binnenlandse zaken Kenneth Baker zei zelfs dat evenredige vertegenwoordiging de Europese fascisten in staat stelt weer op te marcheren.

De angst voor het uiteenvallen van het koninkrijk, de onzekerheden van een minderheidsregering, de dreiging van coalities, de eenwording van Europa met alle gevaren voor de Britse waarden en levenswijze - al deze emoties hebben John Major honderdduizenden rode stippen en de meerderheid bezorgd. De Britten zijn en blijven in wezen een conservatief volk. Tot groot plezier van president Bush overigens, die nu weer zeker is van ten minste één trouwe bondgenoot in het roerige Europa.