Associatieve roman van Monica van Paemel; May, Hagar, Ruth, Dina, Berthe en Poldine

Monika van Paemel: De eerste steen. Uitg. Meulenhoff, 279 blz. Prijs ƒ 36,50

“Te blond voor het Midden-Oosten”, zegt een van May's vriendinnen aan het begin van de nieuwe roman van Monika van Paemel. “Te mooi voor de mannen”, voegt een andere vriendin eraan toe. Daarmee worden twee lijnen uitgezet waarlangs het verhaal zich gaat bewegen. Het hele boek draait om May en een groepje vriendinnen, terwijl de gebeurtenissen zich hoofdzakelijk in Jeruzalem afspelen waar elke dag in het teken staat van het conflict tusen Israeliërs en Palestijnen.

De eerste steen is een boek over vrouwen, over hun lot en hun problemen, hun verdriet en woede, hun verhouding tot de mannen en tot elkaar. Dat laatste is belangrijker dan het eerste. Er lopen wel wat mannen tussen de vriendinnen door maar ze zijn niet meer dan figuren van het tweede plan. May's verhouding met Davey is onbevredigend en op den duur schuift ze hem weg. Hagar, met wie May het bed deelt, heeft wel eens een minnaar maar het doet haar niet veel. “Ik kan wel met mannen naar bed”, zegt ze, “maar ik heb niets met ze”. Het huwelijk van Alida en Yona stelt niet veel voor gezien de geweldige verliefdheid van Alida op een Nubiër. Toch laten ook de verhoudingen van vrouw tot vrouw veel te wensen over. May kan niet echt verliefd worden op Hagar, en toen Alida ook eens wat met Hagar geprobeerd heeft, was het uitgelopen op de slappe lach, om maar te zwijgen van May's ervaring met een reusachtige IJslandse.

Al die vrouwen - May en Hagar en Ruth en Dina en Berthe en Rosa en Alida en Poldine om maar een greep te doen - worden geïntroduceerd zonder een woord van uitleg. We zien hun namen, we horen wat ze zeggen, maar wie ze zijn en wat hen gemaakt heeft tot wat ze zijn, blijft lang in het ongewisse. De lezer moet op zijn tellen passen als hij niet meteen al wil verdwalen in dit woud van namen. Het duurt wel even voordat hij doorheeft wie de hoofdfiguren zijn en nog langer voordat er antwoord komt op een vraag als: hoe is May, met haar Poolse afkomst en Antwerpse achtergrond, in Jeruzalem verzeild geraakt?

Alle vragen worden beantwoord door een onnoemelijk aantal zijsprongen die kriskras het verleden van May doorkruisen. Net als in Van Paemels vorige roman, De vermaledijde vaders uit 1985, worden de herinneringen van May sterk associatief gepresenteerd. De ene herinnering haalt de andere uit; een televisiebeeld van de koning van Jordanië leidt naar herinneringen aan het aftreden van koning Leopold en naar de houding van koningin Wilhelmina tijdens de oorlog en komt dan via een huzaar terecht bij de paarden van May's grootouders en de omstandigheden waaronder ze is opgegroeid. Bijna alles wat er tussen de vriendinnen in Jeruzalem gebeurt, leidt terug naar het verleden van May.

Het buitengewoon consequent doorgevoerde procédé van associatieve herinnering is een riskante onderneming. Achter alle bomen kan het bos wel eens verdwijnen. Dat gebeurde in De vermaledijde vaders waar Pam ondanks de overstelpende hoeveelheid details nooit een helemaal duidelijk omlijnde figuur werd. In de nieuwe roman is het resultaat veel overtuigender en van vaagheid in de karakterisering is bij May geen sprake. Steeds zijn er aanwijzingen dat er in May's leven iets onherstelbaars is gebeurd, iets wat ze probeert te verdringen en te ontvluchten maar wat toch de drijfveer is geworden van haar verdere leven en de oorzaak van haar onrust. De achterflap heeft al geconstateerd dat May het spoor bijster is door het verlies van haar dochter, maar het hoe en waarom worden in het verhaal zo geleidelijk en intrigerend onthuld dat de mededeling van de flap het opbouwen van de spanning geen ogenblik in de weg zit. De hardnekkigheid waarmee May's gedachten om het ziektegeval en de dood heen blijven cirkelen laat zien hoe overheersend het verlies is. Hoezeer May zich inprent dat ze geen bondgenoot van het ongeluk wil zijn en niet gevangen wil blijven in haar eigen verhaal, zoals ze het noemt, ze kan het verdriet niet uitbannen. Pas aan het eind van de roman, als ze "de donzige driehoek tussen haar benen streelt' en het beeld oproept van de bloem die in de droogte verwelkt en bij regen weer opbloeit, lijkt er hoop op een nieuw leven: “Mijn Roos van Jericho, mijn onverbeterlijke dochter.”

De fragmentarische manier van presenteren is in dit boek meer dan alleen een vertelprocédé, het is ook de afspiegeling van de manier waarop de gedachten van May ongewild en onafgebroken afglijden naar het verleden waar misschien een verklaring te vinden is voor het verloop van haar eigen leven en het leven en de dood van haar dochter. Dat wil niet zeggen dat alle herinneringen van May een duidelijke functie hebben in het geheel. Van Paemel is in deze roman veel zorgvuldiger dan in de vorige maar toch duiken er vrij veel herinneringen op waarvan je je afvraagt, ook bij herlezing, waarom ze genoemd worden. De wijze waarop Monet de kathedraal in Rouen heeft geschilderd bij voorbeeld, draagt niets bij aan het eigenlijke verhaal. Van groot belang is dit bezwaar niet. Het is veel belangrijker dat Van Paemel met dezelfde verteltechniek die in haar vorige roman de hoofdfiguur in een waas achterliet, nu de twee voornaamste personages, May en Hagar, in een helder licht heeft weten te plaatsen.

Ook is Van Paemel minder dan in de voorgaande roman geneigd de vaders te zien als de bron van alle kwaad. Hagar en May hebben weliswaar niet veel aan hun vaders gehad - de een was een slachtoffer en de ander een kruisridder - maar ook hun moeders hebben gefaald. Hagar verwijt haar moeder dat ze het haar onmogelijk heeft gemaakt een vaderbeeld te vormen en dat ze daardoor niet met mannen kan omgaan. De moeder van May was een luie, egocentrische, depressieve vrouw die zich weinig van haar dochter aantrok. Al zijn de vaders nog vermaledijd, de moeders zijn het nu dubbel. Het boek wordt daar niet vrolijker door maar wel minder eenzijdig. De eerste steen is bovendien een roman die ondanks de steeds weer onderbroken ontwikkeling van het verhaal vaart en verve heeft, en die in het werk van Van Paemel een grote sprong naar voren betekent.