Zorgen over het gat in de proliferatie

In 1968 sloten de VS, de Sovjet-Unie en Groot-Brittannië het non-proliferatie verdrag. Het was een overeenkomst waarmee werd gepoogd de nucleaire status quo in de wereld vast te leggen. De vijf mogendheden die de beschikking hadden over een kernwapen - de drie initiatiefnemers plus Frankrijk en China - moesten voorkomen dat de atoomclub zou worden vergroot, de andere staten dienden zich te verplichten af te zien van het gebruik, het bezit en de ontwikkeling van atoomwapens. De meeste landen bleken daartoe bereid, Fransen, Chinezen en nog wat anderen weigerden hun handtekening te zetten. Vele jaren lang heerste er een zeker gevoel van tevredenheid over de werking van het verdrag, maar dat gevoel ebde geleidelijk aan weg naarmate er steeds meer aanwijzingen kwamen dat een groeiend aantal landen op de drempel stond om atoommogendheid te worden en dat een enkele die drempel al had overschreden.

Na de Golfoorlog van 1991 werd de wereld het schokkende feit gewaar dat Irak over een veel groter nucleair potentieel beschikte dan was aangenomen en dat er bovendien hard werd gewerkt aan raketten waarmee het gehele Midden-Oosten en zelfs delen van Europa konden worden bedreigd. Een dergelijk potentieel in handen van een man als Saddam Hussein had een nachtmerrie werkelijkheid kunnen doen worden. Die ontdekking zette een domper op de non-proliferatie. Irak was ondertekenaar van het desbetreffende verdrag, had de reguliere internationale inspectie toegelaten en desondanks scheelde het bitter weinig of het was een van de gevaarlijkste mogendheden ter wereld geworden. De internationale reactie op de Iraakse inval in Koeweit voorkwam het ergste. Een toevalstreffer dus.

Met de ineenstorting van de Sovjet-Unie is het aantal potentiële atoommogendheden verder vergroot. Weliswaar hebben de republieken die uit de oude Unie zijn ontstaan te verstaan gegeven dat zij, op Rusland na, de status van atoommogendheid niet nastreven, maar de voorgenomen concentratie van het voormalige nucleaire Sovjet-arsenaal in Rusland heeft al ernstige vertraging opgelopen. Die vertraging is een direct gevolg van wantrouwen bij de anderen ten opzichte van de bedoelingen der Russen. Zal Moskou wel, zoals afgesproken, de overgedragen bommen, granaten, kernkoppen, raketten en lanceerinstallaties onbruikbaar maken of zal het deze wapens aan de eigen voorraad toevoegen? Die angst is onterecht zolang Rusland zich aan de internationale, overigens nog niet geratificeerde, overeenkomsten over wapenvermindering houdt, maar hangende deze kwestie is het aantal zelfstandige staten met kernwapens op hun grondgebied wellicht verdubbeld.

Daarmee is nog niet alles gezegd. Het uiteengevallen nucleaire arsenaal van de voormalige Sovjet-Unie biedt een interessant ruilobject in de betrekkingen tussen de nieuwe republieken en derde landen. Des te langer centraal beheer op zich laat wachten, des te groter de kans dat er wapens verdwijnen. Bovendien zijn enkele duizenden wapendeskundigen voor wie in het nieuwe Rusland geen emplooi meer is, een begeerlijk object voor iedere mogendheid die haar atoomwapen in aanbouw verder wil vervolmaken. Er zijn wat maatregelen voorzien om proliferatie langs die weg tegen te gaan, maar waterdicht zullen zij zeker niet zijn. Dertig atoommogendheden tegen het jaar 2000 is mogelijk nog een voorzichtige schatting.

Voor de landen in Europa ontstaat een dilemma: hoe moet er op het nieuwe gevaar worden geanticipeerd? Het antwoord zal niet overal hetzelfde zijn. Immers, deze staten hebben ook in het verleden verschillend gereageerd op de nucleaire dreiging vanuit het Oostblok. Fransen en Britten hebben het gezocht in soevereine kernmachten, de Britten hebben sinds 1962 hun heil gevonden in een verregaande integratie in de Amerikaanse atoommacht. De Bondsrepubliek heeft nagenoeg vanaf haar ontstaan afstand gedaan (moeten doen) van kernwapens in ruil voor defensieve bondgenootschappelijke garanties in het kader van NAVO en West-Europese Unie. De kleinere landen van het vrije Europa hebben zich eveneens op het Westelijke bondgenootschap verlaten. De staten van Oost-Europa zoeken daar nu ook hun veiligheid.

In beginsel liggen er drie wegen open. De weg die de Fransen volgen en die waarschijnlijk alleen nog voor Duitsland begaanbaar zou zijn. De weg van een Europees bondgenootschap. En de weg van het Atlantische pact.

De Bondsrepubliek mag financieel en technologisch in staat worden geacht kernmogendheid te worden, maar er zijn indrukwekkende bezwaren. In NRC Handelsblad van afgelopen dinsdag vat Michael Stürmer, commentator van de Frankfurter Allgemeine Zeitung, de bezwaren samen: “Kernwapens in Duitse handen zouden de militaire veiligheid niet verbeteren, maar zouden wel de morele, politieke en economische positie van Duitsland vanaf het begin in de kern treffen en het Europese veiligheidssysteem ontwrichten”. Bovendien, zegt Stürmer, moedigt het Franse voorbeeld niet aan tot navolging, de grenzen van zijn strategische en politieke prestatievermogen heeft dat land inmiddels wel bereikt. Stürmer kiest voor de Atlantische weg.

De waarde van een eventuele zelfstandige Europese afschrikking zou worden bepaald door Frankrijks nucleaire vermogen, aangenomen overigens dat Parijs eens bereid zou zijn om het Franse kernwapen een Europese taak te geven. (Eerder dit jaar leken Delors, voorzitter van de Europese Commissie, en president Mitterrand op die mogelijkheid te anticiperen.) Maar indien de Fransen, zoals Stürmer meent, inderdaad de grenzen van hun vermogen hebben bereikt, zouden Frankrijks partners financiële en technologische steun beschikbaar moeten stellen om de Europese afschrikking geloofwaardig te doen zijn. Dan zou ook het politieke en strategische beheer ervan aan de orde komen, inbegrepen een Duitse vinger aan Europa's nucleaire trekker.

Ondanks alle omwentelingen is de oude logica niet veranderd, schrijft Stürmer, en ten overvloede wijst hij erop dat de Duitse vereniging in 1990 slechts mogelijk was op voorwaarde dat het nieuwe, grotere Duitsland ook verder zou afzien van kernwapens. Voor het Oosten was die conditie expliciet, voor het Westen impliciet. Wie een Europese veiligheidspolitiek wil ontwerpen, zal het nieuwe, zich aandienende nucleaire gevaar niet buiten beschouwing kunnen laten. Aldoende zal hij onverbiddelijk op de door Stürmer trefzeker beschreven "oude logica' stuiten. Ook het gat in de non-proliferatie brengt daarin geen verandering.