Woordblind

In elke klas zit wel een dyslectisch of ”woordblind' kind. Neuroloog Albert Galaburda over de problemen van een akelig gecompliceerde afwijking, waar nog maar weinig met zekerheid over te zeggen valt.

Albert Galaburda blijkt een stuk jonger dan je op grond van zijn lange staat van dienst zou verwachten: 43 pas. ””Ach, ik ben jong begonnen'', zegt de vriendelijke, jongensachtige Amerikaan achter een kopje koffie met sigaret. ””Thuis rook ik nooit, daar word je uitgemaakt voor fascist'', meldt hij; in Amsterdam maakt hij na zijn lezing voor de European Dyslexia Conference in twintig minuten drie sigaretten uit. Zijn voordracht ging over de neurologische achtergronden van dyslexie, een onderwerp waaraan zijn naam wel voorgoed verbonden zal blijven.

Galaburda is neuroloog. Zijn eerste echte onderzoeksopdracht kwam van zijn inmiddels overleden collega en leermeester Geschwind, die al eerder wereldfaam verwierf met onderzoek naar asymmetrieën in de structuur van de twee hersenhelften.

Galaburda: ””Ik was geïnteresseerd in taal, en in het concept van dominantie in de hersenen, dat idee dat de ene kant andere dingen doet dan de andere. Iets waar nu iedereen het over heeft. Ik zocht daar een verklaring in de hersenen voor, en zo ontdekte ik een paar structurele asymmetrieën: de hersenhelften doen niet alleen verschillende dingen, ze zijn ook verschillend van structuur. Het was geloof ik in 1977 dat Geschwind me vertelde van iemand die de hersens van een dyslecticus in handen had gekregen, en die dacht dat het taalgebied waarschijnlijk onderontwikkeld was.''

Dat voor taal belangrijke gebied is het zogenaamde planum temporale, een stukje hersenen dat binnenin de temporaalkwab (achter je slaap) ligt. Je hebt er zowel links als rechts een. Eind jaren zestig had Geschwind al 100 menselijke breinen onderzocht en gezien dat die twee plana temporale meestal verschillen in grootte: bij 65 breinen bleek de linker groter, bij elf andere de rechter en in 24 hersenen waren ze ongeveer gelijk. Die cijfers zijn later door anderen bevestigd, en ze zijn prachtig in overeenstemming met het bekende feit dat bij de meeste mensen vooral de linker hersenhelft bij taalverwerking betrokken is. Als we al een taalknobbel hebben dan zit die daar, zij het dat hij het ”taalwerk' zeker niet in zijn eentje doet: ook elders vind je hersenactiviteit wanneer iemand praat, luistert, leest of schrijft.

”Groter' blijkt in de hersenen niet altijd ”beter' te betekenen.

Galaburda: ””Geschwind vroeg me de hersenen van die dyslecticus te bekijken, en er bleek geen sprake van een kleiner taalgebied te zijn, de plana temporale waren juist even groot. Met hulp kreeg ik nog een stuk of tien breinen van dyslectici: allemaal symmetrisch. Symmetrie bestaat, het komt bij ongeveer een kwart van de bevolking voor, maar dit was tegen de statistiek. Tegenwoordig zijn er allerlei scantechnieken waarmee je de hersenen van levende mensen kunt onderzoeken, en bijna altijd hebben dyslectici twee grote taalgebieden. En dat blijkt te komen doordat er meer zenuwcellen, (of neuronen), zijn dan normaal. Hoe dat komt is niet helemaal duidelijk, maar het is een ontwikkelingsstoornis. Vanaf twee, drie, vier weken na de conceptie ontstaan er een soort moedercellen die allerlei gespecialiseerde cellen aanmaken. Dé gaan alles doen, ondermeer voor zenuwcellen zorgen. Maar er worden er meer gemaakt dan nodig is. In de periode tot je tweede, derde jaar sterven er een hoop, er wordt gesnoeid. Hoeveel er overblijven hangt ondermeer af van omgevingsinvloeden, de input. De mensen met symmetrische taalgebieden houden te veel zenuwcellen over. Waarschijnlijk zit het probleem op het zesde of vijftiende chromosoom. Daar wordt bepaald hoeveel moedercellen van neuronen er gemaakt zullen worden.''

Toch zijn deze ontdekkingen alleen natuurlijk niet voldoende om dyslexie te verklaren: niet een kwart, maar slechts vijf à zeven procent van de bevolking is dyslectisch. Galaburda legde ook de omgeving van de twee taalgebieden onder de microscoop: ””Er bleek nog meer aan de hand te zijn toen ik heel gedetailleerd ging kijken: vooral in de linker hersenhelft, in de gebieden die voor taal belangrijk zijn, vond ik kleine beetjes afwijkende zenuwcellen, zogenaamde ectopieën. Ik vroeg me af hoe die daar kwamen, wat ze daar deden. Nou, dat blijkt al mis te gaan in de 25ste week van de zwangerschap. Dyslectische kinderen worden dus al anders geboren. Die verdwaalde groepjes cellen zitten er door een gat in het membraan dat moet voorkomen dat ze te ver weg gaan. De oorzaak van dat gat is niet duidelijk, maar waarschijnlijk is het ontstaan ervan genetisch bepaald. Dyslexie is ook echt iets dat ”in de familie zit'. Kijk, het zijn maar kleine groepjes cellen, maar omdat die afwijking zo vroeg optreedt kan het toch een vrij grote reactie, echt een andere hersenorganisatie, tot gevolg hebben.''

Er is nog een verschil in hersenstructuur: dyslectici hebben een hersenbalk (het corpus callosum, de zenuwstreng die de verbinding tussen de hersenhelften vormt) met meer dan normale hoeveelheden verbindingen, de zenuwstreng is met andere woorden dikker. ””Dat betekent dat ze andere leermogelijkheden hebben'', zegt Galaburda. Hij en Geschwind zagen naast al die verschillen in hersenstructuur ook een samenhang tussen dyslexie, de gevoeligheid voor autoïmmuunziektes zoals reuma, allergische stoornissen als hooikoorts en astma, én linkshandigheid. Dat samengaan met linkshandigheid bleek in andere studies niet hardgemaakt te kunnen worden, maar Galaburda houdt het erop dat het een van de dingen is die kunnen waarschuwen dat een kind misschien dyslectisch is. De gezamenlijke grond voor deze op het oog losstaande dingen, zou overigens te vinden zijn in een teveel aan het mannelijk hormoon testosteron, wat misschien weer zou verklaren waarom veel meer jongens dan meisjes dyslectisch zijn.

Zwarte muis

Voor zijn onderzoek naar de oorzaak van die verdwaalde groepjes cellen maakt Galaburda gebruik van de Nieuw-Zeelandse zwarte muis, een beestje dat geboren wordt met een defect aan zijn autoïmmuunsysteem, dat leermoeilijkheden heeft en een afwijkend pootgebruik. ””Het is heel opmerkelijk dat je een dier vindt met karakteristieken die lijken op die van dyslectici'', zegt hij daarover. ””Mijn doel is bij die muis het gen te identificeren dat verantwoordelijk is voor die kleine afwijkingen. Van daaruit is het makkelijker datzelfde gen bij de mens te traceren. En dan? De toekomst ligt wat dat betreft nog open. Er komt waarschijnlijk ooit wel gentherapie, maar dat kan nog vijftig of honderd jaar duren. Maar wanneer je het gen kent, kun je bij kleine baby'tjes al een bloedtest afnemen. Eventueel kun je ze dan al vroeg in de gaten houden - zeker als dyslexie in de familie voorkomt - ze extra vroeg met klanken laten oefenen.''

””Want op de een of andere manier hebben al die verschillen in hersenstructuur kennelijk vooral gevolgen voor de omgang met klanken in taal, het is een fonologisch iets. Het gaat ook verder dan alleen problemen bij lezen en schrijven: dyslectici ondervinden ook moeilijkheden met de uitspraak en het horen van bepaalde klanken. Bij de taalontwikkeling gaat dat verkeerd. Een klein groepje dyslectici heeft een tijdje een middenoorinfectie gehad rond hun eerste jaar. Die hebben dus een bepaalde periode niet kunnen horen, en kunnen daarom sommige verschillen tussen klanken niet horen. Stimulatie tijdens de ontwikkeling brengt ook tegelijk inperking voort: het systeem wordt op een bepaalde manier gevormd, en dat is het dan. De verbindingen zijn gelegd, andere neuronen ben je kwijt. Kijk maar naar Japanse baby'tjes: bij hun geboorte zijn die net als alle baby's heel goed in staat het onderscheid tussen de l en de r te leren, maar als ze dat niet op een bepaalde leeftijd doen, dan lukt het daarna niet meer. Het Japans kent geen verschil tussen de l en de r, en Japanse kinderen verliezen op een gegeven moment de mogelijkheid die twee te onderscheiden. Het is ook opvallend dat veel doven dezelfde soort problemen hebben met lezen en schrijven als dyslectici. Als je de klanken niet of niet goed kent is het lastig ze om te zetten in letters, en omgekeerd.''

Discussie bestaat er nog over ongeveer alles wat met dyslexie te maken heeft, maar op het ogenblik wordt er stevig gedebateerd over het merkwaardige man-vrouw verschil: vier maal zoveel mannen als vrouwen lijden aan dyslexie. Galaburda heeft wel een gok: ””Ik denk dat taal in de hersenen van een vrouw anders georganiseerd is. Vrouwen zijn over het algemeen beter in taal. Waarschijnlijk is er sprake van een groter deel van de hersenen dat taal ”doet', dus is het ook moeilijker het brein zo te beschadigen dat ze dyslectisch worden. Daar zijn ook wel aanwijzingen van elders voor: hersenbloedingen op bepaalde plaatsen die bij mannen afasie, dus grote taalproblemen veroorzaken, doen dat bij vrouwen vaak niet. Dyslectische vrouwen zijn ook dikwijls tamelijk zware gevallen: de lichte gevallen kunnen waarschijnlijk beter compenseren. Als je naar alle jongens en meisjes kijkt dan hebben de meisjes misschien wel net zo vaak fonologische problemen, maar ze hebben er minder last van. De vorm van de hersenbalk is ook een beetje anders bij vrouwen: ze schijnen in het algemeen meer verbindingen tussen de hersenhelften te hebben. Het kan zijn dat ze daardoor ook aan de rechterkant een flinke portie taal kunnen doen, beter dan mannen dat kunnen. Maar hier zijn alleen boterzachte bewijzen voor, en over de oorzaak hebben we eigenlijk geen idee.''

Galaburda's boodschap is op het eerste gezicht nogal hard: afwijkende hersenstructuren zijn iets definitiefs. Toch houdt hij er zelf een optimistische kijk op na.

Galaburda: ””Als het om de implicaties van mijn onderzoek gaat gebruik ik altijd een vergelijking: als je geen vleugels hebt kun je oefenen met je armen zoveel je wilt, maar als je van een flat afspringt zul je altijd vallen. Maar je kunt natuurlijk ook een vliegtuig uitvinden, en dan kun je toch vliegen. Het brein van dyslectici is niet ideaal uitgerust om te leren lezen en schrijven, maar met veel oefenen wordt het beter. Het is belangrijk je te realiseren dat ze andere hersenen hebben en het dus op een andere manier moeten leren. Hoe? Wees toegeeflijk en flexibel. Geef het kind keuzes, zodat het de kans krijgt uit vinden hoe het 't beste kan compenseren.''

””Het blijkt dat degenen waar goed voor gezorgd is, die niet onaardig behandeld zijn omdat ze geen ”vleugels' hadden, die begrijpende ouders hadden, meestal opgroeien tot zeer succesvolle mensen. Er zijn er veel die een speciaal talent voor visueel-ruimtelijke dingen hebben. Dat worden architecten, ingenieurs. Je ziet ook veel computerprogrammeurs, en acteurs: omdat ze geen vleugels hebben moeten ze terugvallen op andere dingen, daardoor merken ze veel meer op, en zijn ze bijvoorbeeld heel goed in gezichtsexpressies. Kijk, het gaat nooit helemaal over. Het blijven natuurlijk langzame lezers, slechte spellers, maar ach, tegenwoordig hebben alle computers spelling checkers, en anders hebben ze een secretaresse.''

””Het is ook een kwestie van creatief zijn. En het brein is verschrikkelijk flexibel, niet alleen als je jong bent. Er zijn stevige bewijzen dat invloed van buiten waarschijnlijk zelfs tot je oude dag kan leiden tot veranderingen in de hersenen. Ook oudere dyslectici kunnen geholpen worden, daar is het nooit te laat voor. En ik vind het heel belangrijk nog even op te merken dat dyslexie niemands schuld is: het komt niet doordat mama tijdens de zwangerschap iets verkeerd heeft gedaan ofzo. Je kunt hooguit het onderwijs iets verwijten: daar moeten dyslectische kinderen opgevangen worden. Want uiteindelijk blijkt het leesprobleem meestal kleiner te zijn dan de emotionele problemen, de faalangst. Daar heeft iedereen een sociale verantwoordelijkheid voor.''