Wet moet uitvoering sociaal stelsel regelen; Discussie over de organisatiewet speelt al sinds jaren zestig

DEN HAAG, 9 APRIL. De uitvoerders van de sociale zekerheid hoeven voorlopig niet bang te zijn voor een nieuwe Organisatiewet Sociale Zekerheid. Staatssecretaris Ter Veld (Sociale Zaken) zei gisteren tijdens een commissievergadering van de Tweede kamer dat het wetsvoorstel, dat de oude wet van 1952 moet vervangen, pas nà het zomerreces mag worden verwacht. Oorspronkelijk zou Ter Veld het wetsvoorstel al in 1991 naar de Tweede Kamer sturen.

De discussie over een nieuwe organisatiewet, die al eind jaren zestig begon, laaide vorig jaar opnieuw op. Aanleiding was de explosieve toename van het aantal WAO'ers, waarbij werkgevers en werknemers in gemeen overleg hun deelbelangen lieten prevaleren boven het algemeen belang. Dat kon omdat de sociale partners het bij de uitvoering van de werknemersverzekeringen voor het zeggen hebben. Tot voor kort domineerden de uitvoerders bovendien het toezicht op hun eigen werk, via de Sociale Verzekeringsraad (SVR).

Volgens Ter Veld kan het wetsvoorstel voor een nieuwe organisatiewet pas worden ingediend als de nieuwe wetgeving voor WAO, Ziektewet en Arbeidsomstandigheden door de Kamer is geloodst.

Volgens het PvdA-Tweede Kamerlid Buurmeijer dreigt het gevaar dat een nieuwe Organisatiewet averechts werkt. De wet is bedoeld om te zorgen dat mensen met een uitkering sneller aan het werk komen, via een betere samenwerking tussen uitvoeringsorganen. Allerlei initiatieven in die richting dreigen volgens Buurmeijer door de regels van een nieuwe wet in de kiem te worden gesmoord. Die initiatieven zijn echter ook nu in strijd met de letter van de wet, die precies voorschrijft welke organisatie wat mag doen. Volgens Buurmeijer zou er daarom een "experimenteerartikel' aan de huidige wet moeten worden toegevoegd.

Jongstleden september werd een motie-Buurmeijer, die het toezicht door de Sociale Verzekeringsraad onafhankelijk wilde maken van de uitvoerders, met Kamerbrede steun aangenomen. Alleen het CDA stemde tegen. Staatssecretaris Ter Veld ging niet akkoord met een onafhankelijk, maar wel met een onafhankelijker toezicht. Per 1 januari 1992 werd het toezicht door de Sociale Verzekeringsraad opgedragen aan de Toezichtkamer, waarin werkgevers en werknemers niet langer tweederde maar nog wel de helft van de zetels bezetten. Voorzitter van de Toezichtkamer werd SVR-voorzitter, prof. W.J.P.M. Fase.

De oppositiepartijen VVD, D66 en Groen Links legde Ter Veld het vuur aan de schenen omdat zij niet tot een echt onafhankelijke Toezichtkamer had besloten. Binnen de huidige organisatiewet was dat volgens de staatssecretaris onmogelijk maar later gaf ze toe dat ze de sociale partners ook niet wilde uitsluiten van het toezicht. Volgens Brouwer (Groen Links) en Schimmel (D66) was een onafhankelijk toezicht volgens artikel 47 van de huidige wet wel degelijk mogelijk en was Ter Velds besluit een politiek besluit.

Sinds september 1991 is het CDA aanzienlijk minder kritisch geworden jegens een onafhankelijk toezicht. Het Kamerlid Biesheuvel (CDA) zei gisteren dat, mits werkgevers en werknemers bij de uitvoering een nadrukkelijke rol kunnen blijven spelen, bij het toezicht voor hen zelfs niet meer dan een adviesrol denkbaar zou kunnen zijn.

Terwijl de oppositiepartijen constateerden dat de motie-Buurmeijer, die door hen was ondertekend, de facto niet werd uitgevoerd, ging Buurmeijer zelf niet zover. Wel legde hij er de nadruk op dat het kabinet en het parlement niet opnieuw de schuld mogen krijgen als straks blijkt dat de sociale partners opnieuw geen volumebeleid hebben gevoerd. In dat verband vroeg hij zich gisteren af of de voorzitter van de Toezichtkamer wel onafhankelijk was, zoals Ter Veld had gesteld. Volgens Buurmeijer is Fase immers als SVR-voorzitter “ingeklemd tussen werkgevers en werknemers”.