Werk of geen werk

De komende jaren geven middelbare en hogere beroepsopleidingen de beste kans op werk.

Ronduit slechte arbeidsmarktvooruitzichten zijn er voor mensen met uitsluitend basisonderwijs, maar ook voor universitair opgeleiden in een alfa- of gammarichting. Vooral in de kunst- en letterenstudies zal de toch al niet geringe werkloosheid onder afgestudeerden niet verminderen. En wat velen voorspelden lijkt nu bewaarheid te worden: universitair geschoolde economen en bedrijfskundigen, die tot nog toe profiteerden van een willige arbeidsmarkt, zullen in de nabije toekomst de keerzijde van een al te populaire opleiding aan den lijve ondervinden. Juist de gunstige vooruitzichten hebben in de afgelopen jaren velen naar deze studies gelokt. Werkloosheid dreigt echter nog niet. Waarschijnlijker is dat er een verdringingseffect op zal treden, waarbij HEAO-ers van de markt worden gedrukt.

Een en ander valt te lezen in een rapport van het Maastrichtse Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt, waarin voorspellingen worden gedaan over de mate waarin opleidingen en arbeidsmarkt in de periode tot 1994 op elkaar zullen aansluiten. Het onderzoek is verricht in opdracht van het ministerie van onderwijs en wetenschappen, het centraal bestuur voor de arbeidsvoorziening en het landelijk dienstverlenend centrum voor studie- en beroepskeuzevoorlichting. De uitkomsten worden onder andere verwerkt in het geautomatiseerde informatiesysteem I-See, dat bij beroepenvoorlichters en op veel scholen in gebruik is.

De algemene conclusie van de Maastrichtse onderzoekers luidt dat een alsmaar hogere opleiding niet automatisch meer kans op passend werk biedt. Het beslissende criterium is eerder de richting dan de hoogte van de opleiding. Een middelbare beroepsopleiding in de verzorgende sfeer geeft goede vooruitzichten, een lagere beroepsopleiding in diezelfde richting ook.

De oorzaken voor dit verschijnsel zijn niet altijd dezelfde. Een groot aantal afstuderenden kan de spoeling dun maken (en omgekeerd), terwijl ook ontwikkelingen in de beroepssector zelf van invloed zijn op de vraag naar bepaalde kwalificaties. Van belang zijn de mate waarin de sector groeit en er dus nieuwe banen bijkomen, en het verloop onder de werkenden. Sommige beroepsklassen scoren op beide punten hoog. Dat is ook de reden dat de groep "winkel-, straat- en marktverkopers, demonstrateurs' de komende jaren tot een van de meest veelbelovende behoort. Naar verwachting zullen ruim 150.000 nieuwe beroepsbeoefenaren hier kunnen instromen. Een andere groeicategorie is die van de "directeuren, bedrijfsleiders, leidinggevenden industrie'.

De allerlaagst geschoolden, de "drop-outs' uit het voortgezet onderwijs die daardoor feitelijk uitsluitend basisonderwijs hebben genoten, zullen het moeilijkst aan werk komen. Daarentegen zijn de prognoses voor mensen met alleen maar een MAVO-diploma goed, veel beter zelfs dan die voor schoolverlaters met louter een HAVO- of VWO-diploma op zak. Het Maastrichtse researchcentrum spreekt in dit verband van een omslag, omdat de huidige arbeidsmarktsituatie voor MAVO-schoolverlaters nog slecht is.

Technische studies geven over het algemeen goede perspectieven op werk, met name de universitaire en de hogere beroepsopleidingen. Wie uitstroomt uit LBO of MBO treft een iets ongunstiger marktsituatie aan. In deze sector zijn de uitwijkmogelijkheden naar andere beroepen op hetzelfde niveau echter groot.

Het researchcentrum heeft ook gekeken naar de positie van vrouwen op de arbeidsmarkt en naar de perspectieven van de typische "vrouwenopleidingen'. Daarvan is sprake als ten minste 60 procent van de werkenden met een dergelijke opleidingsachtergrond uit vrouwen bestaat. Het gaat vooral om opleidingen in de verzorgende, paramedische en sociaal-culturele sfeer. De perspectieven blijken hier meestal redelijk tot goed te zijn. Voor twee sectoren ligt dat anders: HBO-verpleging & paramedisch', en "MBO sociaal-cultureel'. Bij de eerste groep is de vraag naar nieuwkomers relatief laag, bij de tweede is het aanbod van afgestudeerden hoog.