Wat is dyslexie

"Nu heeft hij weer een drie voor Engels, maar onze Hans gaat door, en hij zál overgaan, want hij doet het hartstikke goed', zegt de moeder van Hans geëmotioneerd.

Hans boft: hij heeft een strijdbare moeder, en die heb je broodnodig als je dyslexie hebt. Want de leraar Engels vindt dat ie met die dyslexie niks te maken heeft, en ook de rest van de school vergeet steeds weer dat Hans meer tijd nodig heeft dan anderen, omdat lezen en schrijven voor hem nu eenmaal een grote opgave zijn, een extra hindernis die bij elk proefwerk, bij elke tekst opnieuw genomen moet worden.

Dyslexie (vroeger ook wel "woordblindheid' genoemd) is in onze wereld vol letters een niet te onderschatten handicap. Bijkomend nadeel: je kunt aan de buitenkant niet zien of iemand dyslectisch is of niet. Wie zelf gedachteloos leest en schrijft heeft grote moeite zich voor te stellen dat iemand anders dat niet kan. De dyslecticus is al gauw een stomkop in de ogen van zijn omgeving. Denk maar eens aan de sociale straf die er vaak alleen al op een simpele d/t-fout staat. Geen wonder dat zoveel dyslectici emotioneel in de knoei raken en lijden aan de vreselijkste vormen van faalangst.

Aan emotionele problemen was een van vele sessies gewijd van het tweedaagse internationale dyslexiecongres dat eind maart in de Amsterdamse RAI gehouden werd. Tussen de acht- en negenhonderd mensen waren er: ouders (soms zelf ook dyslectisch), psychologen, orthopedagogen, "remedial teachers', leraren uit het lager, het voortgezet en het speciaal onderwijs, en natuurlijk onderzoekers. Voor zover dat nog niet het geval was zal iedereen één ding duidelijk geworden zijn: dyslexie is een akelig gecompliceerd verschijnsel waar nog maar weinig met zekerheid over te zeggen valt.

Goed, de meesten houden het erop dat vijf à zeven procent van de bevolking dyslectisch is. In elke klas zit dus wel een dyslectisch kind: vier keer zo vaak een jongen als een meisje. Vaak is het iets dat "in de familie zit'. Dyslexie is ook niet iets dat je ineens krijgt: het is er vanaf het moment dat je begint te leren lezen, en het gaat nooit meer helemaal over, ook al leren de meesten er op den duur wel ""mee lezen en schrijven'', in de woorden van een dyslectische congresganger met een opvallend gevoel voor ironie. Over de definitie wordt nog steeds vrij fel gediscussieerd, maar meestal wordt ongeveer het volgende aangehouden: je bent dyslectisch wanneer je lees- en schrijfprestaties een eind achterblijven bij wat op grond van je verdere leerprestaties en algemene intelligentie te verwachten valt.

Wat gaat er precies verkeerd? Ook dat is niet eenvoudig te zeggen, geen twee gevallen zijn hetzelfde. De verschijnselen lopen dus uiteen, maar voorbeelden zijn dingen als: de b en de d verwisselen (zowel bij lezen als bij schrijven), de s aldoor spiegelen, letters weglaten (staf lezen of schrijven als het straf moet zijn), willekeurige letters toevoegen, tweeklanken omkeren (deur wordt duer, uit wordt iut). Voorspelbaar zijn de fouten niet: een woord dat het ene moment goed gaat kan de volgende keer falikant verkeerd gaan. Bij sommigen gaat het lezen behoorlijk vlot, maar blijkt uit de vele fouten dat ze er maar zo'n beetje naar raden. Anderen zijn juist heel traag, en doen het dan toch nog verkeerd.

Kennelijk kan er wel zoiets als gewenning optreden: woorden die heel veel voorkomen gaan op den duur beter dan weinig frequente of door onderzoekers verzonnen woorden (zoals fost of ip). Wanneer je een dyslectisch kind vraagt een woord in stukjes (stuk - jes) op te delen of om de klanken een voor een te noemen (put is "puh', "uh', "tuh', schuin is "ss', "guh', "ui', "nn') heeft het daar grote moeite mee. Extra lastig zijn lange woorden, en woorden met letters die voor verschillende klanken kunnen staan (vergelijk bijvoorbeeld geduldig waarin de e, de u en de i alledrie dezelfde klank aangeven, en beresterk waar de letter e voor drie verschillende klanken staat). Ook zijn er aanwijzingen dat dyslectische kinderen vaak niet doorhebben dat woorden rijmen of met dezelfde klank beginnen.

En misschien dat sommige dyslectici een afwijking hebben in dat onderdeel van het visuele systeem dat verantwoordelijk is voor het waarnemen van bewegende dingen, iets dat snel lezen in de weg kan staan. Vast staat daarnaast dat de meesten moeite hebben zich getallen te herinneren, dat ze vaak een woord niet kunnen "vinden' en dat ze in hun gewone spraakgebruik een neiging hebben woorden verkeerd uit te spreken of klanken te verwisselen.

Onenigheid onder deskundigen bestaat er ondermeer over de vraag of je kunt spreken van verschillende typen dyslexie (die dientengevolge verschillend behandeld moeten worden), of dat het eerder een continuüm is: een schaal die van "normaal' naar "zwaar dyslectisch' loopt. Ook over het in België ontwikkelde middel Nootropil, dat het geheugen een oppepper zou geven, is het laatste woord nog niet gezegd. Sommige behandelaars zweren erbij.

Degenen die in de praktijk proberen dyslectici te helpen zijn alles bij elkaar niet te benijden. Er zijn nog niet veel zekerheden om op terug te vallen. Gevolg is dat er, ietwat gechargeerd gesteld, net zoveel therapieën als therapeuten bestaan. Op het congres was ook te zien dat er een hele markt met hulpmiddelen en methodes bestaat, van een "Language master' (waar je plaatjes met een magnetische strip in stopt waarop je je eigen stemgeluid kunt opnemen en terugspelen om dat dan weer te vergelijken met een "voorbeeldstem'), tot en met speciale potloden, verschillende soorten spellingsoefeningen en het boek Robinson Crusoë in simpele zinnen aan toe. De bedoeling achter alles is kinderen laten oefenen en ze tegelijk te motiveren. Toch is er niet één therapie of methode waarvan bewezen is dat hij beter werkt dan andere.

Maar gelukkig is er ook reden voor enig optimisme. Het onderzoek naar de oorzaak van dyslexie verloopt voorspoedig, en iedereen is het er inmiddels over eens dat het om een aangeboren, meestal erfelijke afwijking gaat (voor details: zie het interview met Albert Galaburda hiernaast).

De laatste tien jaar komt bovendien uit onderzoek steeds weer naar voren dat dyslexie bovenal een taalprobleem is, en dat het 'm zit op klankniveau. Met het begrijpen van woorden en het maken of verwerken van zinnen is er niets mis. Dyslectici hebben een fonologisch probleem, ze hebben moeite met het decoderen van klanken, en het omzetten van klanken in letters en andersom.

Een onderzoeksresultaat dat schreeuwt om nieuwe experimenten en tests, om precisering. Daar wordt ook wel aan gewerkt, maar gek genoeg is er nog bijna geen een taalkundige die zich op dit terrein geworpen heeft, en is het IWAL-instituut voor dyslexie in Amsterdam het enige dat speciaal en vooral traint op fonologische vaardigheden.

Ondertussen bieden alle therapieën natuurlijk wel individuele aandacht en begrip, iets dat vruchten af blijkt te werpen, en waar het in het dagelijks leven van de dyslecticus nog wel eens aan wil ontbreken. Onderwijzers en leraren in spe krijgen bij hun opleiding meestal niets te horen over dyslexie. Het gevolg is dat er nog steeds scholen bestaan waar ouders te horen krijgen: "Dyslexie? Nooit van gehoord meneer, mevrouw', zoals een moeder vertelde.

Dyslectische kinderen en hun ouders zijn aan het toeval overgeleverd: lang niet iedere school heeft voorzieningen en kennis in huis. Elke school kan beslissen dat een dyslectische leerling extra aandacht en bijvoorbeeld extra tijd bij examens moet krijgen, maar zelfs of dat laatste gebeurt hangt dikwijls af van de assertiviteit van ouders en de leerling in kwestie. Dyslexie wordt op die manier een gevecht op alle fronten tegelijk.

Een groot deel van de dyslectische kinderen komt terecht in het speciaal onderwijs, een onderwijsvorm die het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen binnen afzienbare tijd wil opheffen. Dat werd duidelijk uit de openingstoespraak van staatssecretaris Wallage en een debat, later tijdens het congres, met een van zijn ambtenaren. Grotere, "zelfbeslissende' scholen die een zak naar believen te spenderen geld krijgen, moeten er komen. Ouders en sprekers waren daar bijzonder verbolgen over: zo zal het nog meer van het toeval afhangen of een dyslectisch kind op zijn eigen school geholpen kan worden, want hoeveel scholen zullen hun geld in "remedial teachers' en andere hulpverleners willen stoppen? ""Alles kan, niets moet, de nieuwe vrijblijvendheid'' noemde een van de sprekers het. Een spandoek met een protestkreet bleef de rest van het congres naast het spreekgestoelte hangen.