"Wachten op Godot' voldoet aan Beckett maar mist overtuiging

Voorstelling: Wachten op Godot van Samuel Beckett door Het Nationale Toneel. Vertaling: Jacoba van Velde; regie: Franz Marijnen; decor: Santiago del Corral; spel: Bert André, Jules Royaards, André van den Heuvel, Peter Tuinman. Gezien: 8/4 Koninklijke Schouwburg Den Haag. Nog te zien aldaar t/m 22/4, daarna elders t/m 24/5.

Samuel Beckett zou geen reden tot klagen hebben gehad als hij de uitvoering door Het Nationale Toneel van Wachten op Godot had kunnen zien. Het stuk, dat gisteren de openingsvoorstelling was van het tien dagen durende Beckett Festival in Den Haag, is voorbeeldig geënsceneerd: Franz Marijnen heeft Becketts regie-aanwijzingen strikt uitgevoerd.

Estragon en Vladimir, gespeeld door Bert André en Jules Royaards, zien eruit zoals het hoort: ze dragen bolhoeden, morsige, uitgezakte kleren en zware bergschoenen. Ze bevinden zich - ook daar is niets op aan te merken - in een licht glooiend landschap waarin slechts een zilvergrijze, treurwilgachtige boom staat. De achtergrond, in de vorm van een halve cirkel, bestaat uit een blauw vlak dat langzaam grijs wordt. Het decor, ontworpen door Santiago del Corral, is mooi, eenvoudig en doeltreffend.

De plek waar de twee mannen zich ophouden is bovendien tijdloos van vormgeving, wat het onwezenlijke van de situatie benadrukt. Estragon en Vladimir zijn kameraden tegen wil en dank, zo lijkt het, en gedoemd hetzelfde lot te ondergaan: wachten op de komst van Godot. Estragon ziet daar de zin niet van in en blijkt herhaaldelijk vergeten te zijn waarom hij wacht en op wie. Het melancholieke hondegezicht van Bert André drukt een verlangen uit naar iets ongrijpbaars, tegelijkertijd laat hij zijn schouders hangen ten teken dat hij weinig illusies heeft over een spoedige vervulling van zijn dromen.

Minder uitgesproken is de verschijning van Jules Royaards als Vladimir. Zijn gezicht verraadt af en toe een lichte verwondering alsof ook hij niet begrijpt wat het doel van hun onderneming is en als hij zijn metgezel aanspoort te blijven wachten, klinkt dat niet van harte. Pas in het tweede bedrijf straalt uit zijn houding energie en krijgt zijn spel enig vuur. Dan wordt ook duidelijk wat de voorstelling als geheel mist: passie en overtuiging. De opleving na de pauze is helaas van korte duur: al gauw zakt het spel in en is de toon even mat en ongeïnspireerd als tijdens het eerste berdijf.

Wachten op Godot is geen stuk waarmee een regisseur eens flink kan uitpakken en gezien zijn vaak groots gemonteerde produkties is Franz Marijnen dan ook niet de eerste persoon aan wie je denkt bij Beckett. Dat hij desondanks een voorstelling maakt die van zo grote, beckettiaanse soberheid getuigt als deze Wachten op Godot bij Het Nationale Toneel, is daarom een verrassing. Marijnens aanpak is, laat daarover geen misverstand bestaan, gedegen en zorgvuldig geweest, maar heeft teleurstellend genoeg een bloedeloze voorstelling opgeleverd die filosofisch noch absurdistisch is, zwaarwichtig noch lichtvoetig. Het ziet er naar uit dat hij zich deze keer al te bescheiden heeft opgesteld, met als gevolg een weliswaar adequate enscenering, maar één die een duidelijke en persoonlijke visie ontbeert.

De enige die in staat blijkt de voorstelling kleur te geven is André van den Heuvel als Pozzo. Zijn komst en die van Peter Tuinman als zijn knecht Lucky (met zijn lange, witte manen doet hij sterk denken aan Bob uit Twin Peaks) zijn een welkome onderbreking van het verhaal. Met zijn beheerste, subtiele spel maakt Van den Heuvel van Pozzo het meest boeiende en raadselachtige personage van het stuk. Door zijn aanwezigheid krijgt de voorstelling op sommige momenten zelfs alsnog iets sprankelends.