Van koekepan tot buizenframe

Het Ultieme Gitaar Boek door Tony Bacon & Paul Day. Uitg. Van Holkema & Warendorf, 192 blz. Prijs ƒ 49,90.

Bij een recente veiling van rock & roll-memorabilia in de Newyorkse vestiging van Sotheby's, kwam een Gibson Les Paul-gitaar van Jimi Hendrix onder de hamer. De opbrengst ($ 19.800) was teleurstellend. Geen wonder, want een Les Paul van Hendrix moet voor de verzamelaar ongeveer zo begerenswaardig zijn als de blokfluit van Emmy Verheij of de hockeystick van Johan Cruijff. Vanaf zijn begindagen in de begeleidingsgroepen van Little Richard en de Isley Brothers tot aan het legendarische Woodstockconcert, speelde Jimi Hendrix bijna altijd op zijn lievelingsgitaar, de Fender Stratocaster.

Gitaarmodellen worden vaak geassocieerd met hun beroemde bespelers. Zo hoort de rode half-akoestische Gibson ES355 bij B.B. King, en is de Hofner 500/1 "vioolbas" onlosmakelijk verbonden met Paul McCartney. The Byrds dankten de karakteristieke heldere gitaararpeggio's aan hun Rickenbackergitaren en Bo Diddley zou Bo Diddley niet zijn zonder het zelf ontworpen "sigarenkist"-model.

Samenstellers Tony Bacon en Paul Day besteden in Het Ultieme Gitaarboek ruime aandacht aan de ontwerpers en stergitaristen die de modellen beroemd maakten. Voor hun fraai geïllustreerde overzicht werden de exemplaren getraceerd bij musea en verzamelaars, zoals de rijkelijk gesorteerde gitarist van Pink Floyd, David Gilmour.

In het Californische Rickenbacker Museum bevindt zich de vroegste versie van de elektrische gitaar uit massief hout, de zogenaamde "frying pan" uit 1931. Al eerder waren er jazzgitaristen als Charlie Christian, die op zoek gingen naar manieren om met hun betrekkelijk zachte akoestische gitaren boven het orkest uit te komen. In eerste instantie gebeurde dat met primitieve magneetspoelen, die een hinderlijke brom lieten horen. De gedeeltelijk uit aluminium vervaardige resonantiegitaren van het merk National beoogden een zelfde doel, om boven het feestgedruis van een square dance of een drinkgelag in een honky tonk uit te klinken.

Achteraf is het opvallend, hoe tijdloos de vroegste elektrische gitaarmodellen waren. De Fender Broadcaster uit 1950, later wegens juridische perikelen omgedoopt in Telecaster, behoort nog steeds tot de functioneelste en populairste modellen. Ook de onsterfelijke Gibson Les Paul bleef in veertig jaar praktisch onveranderd, al werd de technische uitvoering van onderdelen als elementen, tremolo-mechanieken en stemknoppen geperfectioneerd. Ontwerpers Leo Fender en Les Paul beschikten over een vooruitziende blik, maar je hoeft geen kenner te zijn om in te zien waarom de kunststof gitaren van Hagstom, de puntige monsters van Burns of de bizarre Rickenbacker met ingebouwde lichtshow niet lang mee gingen. Alleen de uitbundig gedecoreerde en peperdure Gretsch White Falcon heeft het als showmodel van rijke rocksterren goed gedaan.

Door de oprukkende populariteit van keyboards en synthesizers, verloor de elektrische gitaar terrein in de popmuziek van de jaren tachtig. Gitaarbouwers hielden zich in toenemende mate bezig met de toepassingsmogelijkheden van elektronica, waarbij de "klassieke" gitaarmodellen moesten wijken voor futuristische gedrochten. De hoekige Roland gitaarsynthesizer doet pijn aan de ogen, net als het uitgeklede buizenframe dat door Westone als basgitaar werd gepresenteerd. Al die nieuwerwetse lelijkheid vond weinig bijval onder muzikanten. De modellen flopten en alleen het computermerk Casio vond een handig compromis. Voor het ontwerp van de hypermodernste gitaarsynthesizer greep de Japanse fabriek schaamteloos terug op de fraaie ronde vormen van de meest verkochte rockgitaar sinds de gloriedagen van Jimi Hendrix: het vertrouwde Stratocastermodel.