Steekspel om ontwikkelingssamenwerking; V.d. Broek pleit voor zware staatssecretaris in plaats van minister

DEN HAAG, 9 APRIL. De minister van ontwikkelingssamenwerking heeft drie keer zoveel ambtenaren en vier keer zoveel geld (6,3 miljard gulden) als de minister van buitenlandse zaken op hetzelfde ministerie. Minister Pronk voert - in overleg met Van den Broek - zijn eigen beleid met zijn eigen budget. Hij neemt een eigen positie in, wat soms tot fricties met de minister van buitenlandse zaken aanleiding kan geven. Zo kampt Van den Broek met een gebrek aan financiële middelen om ambassades te openen in Oost-Europa, terwijl minister Pronk tegen het einde van het jaar moeite heeft om alle geld uit te geven. De ambtenaren op het ministerie zijn wel inwisselbaar op de beide poten van het department, maar aan de top staan twee kapiteins.

De opmerkingen die Van den Broek gisteren in de Eerste Kamer deed, liggen op de lijn die binnen het CDA is uitgestippeld. Eind februari presenteerde een CDA-commissie onder leiding van ex-minister van ontwikkelingssamenwerking C. van Dijk een rapport waarin werd gepleit voor “eenheid van het buitenlands beleid”. Volgens deze commissie moet ontwikkelingssamenwerking "integraal' deel uitmaken van de buitenlandse politiek en op het ministerie geen aparte plaats innemen.

Van Dijk opperde de gedachte de minister voor ontwikkelingssamenwerking te vervangen door een staatssecretaris die zich bezighoudt met het hulpbeleid. Het rapport van deze commissie - dat wordt besproken op de CDA-partijraad in mei - kreeg steun van leidende politici in het CDA. Partijvoorzitter W. van Velzen liet zich “welwillend” uit over het rapport en fractieleider L. C. Brinkman zei onlangs op een partijbijeenkomst in Aalten dat het tijd wordt voor een “herbezinning” over de manier waarop de hulp wordt besteed.

De zet van het CDA wordt gedaan tegen de achtergrond van de veranderingen in Oost-Europa. Op het ogenblik trekt Nederland 6,3 miljard gulden uit voor hulp aan landen in de Derde Wereld en 350 miljoen voor Oost-Europa. Het CDA vindt dat nieuwe democratiën in Oost-Europa meer steun verdienen, te meer omdat veel van de huidige steun aan arme landen niet altijd bij de allerarmsten terechtkomt. In het CDA bestaat twijfel over de doelmatigheid van het beleid dat Pronk voert. Volgens Van Dijk is de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking té veel “een speeltuin van goede bedoelingen”. Hij bepleit een “zakelijke benadering”. Aan een aparte minister - ingesteld in de jaren zeventig om de ontwikkelingssamenwerking een groot politiek gewicht te geven - zou derhalve geen behoefte meer zijn.

Binnen de wereld van ontwikkelingsorganisaties werd nerveus gereageerd op deze voorstellen. De algemeen secretaris van de NOVIB, M. van den Berg, lanceerde in maart een tegenvoorstel. Hij wil ontwikkelingssamenwerking onderbrengen in een superministerie van internationale economische betrekkingen. Handelsbeleid (nu bij economische zaken) en het kapitaalverkeer (nu bij financiën) zouden moeten ressorteren onder het nieuw op te richten ministerie. “Stammenstrijd tussen departmenten met uiteenlopende belangen zal dan niet meer voorkomen”, aldus Van den Berg.

Hij vindt dat dit ministerie over 2 procent van het Bruto Nationaal Produkt moet kunnen beschikken - ontwikkelingshulp krijgt nu 1,5 procent - zodat er ook geld voor Oost-Europa vrijkomt. Het idee van Van den Berg is op zich niet nieuw. Het werd reeds in de jaren zeventig geopperd door minister Pronk. Het voorstel voor een ministerie voor internationale economische betrekkingen is ook terug te vinden in het PvdA-partijprogram. De achterliggende gedachte is dat hulp- en handelsbeleid onderling zijn verweven en ontwikkelingslanden niet alleen zijn gediend met hulp, maar ook met meer handelsmogelijkheden en een gunstiger kapitaalverkeer. Voorstanders van dit idee hopen dat het ontwikkelingsbeleid in zo'n superministerie de overhand krijgt over het handelsbeleid. Critici wijzen erop dat dit in de praktijk andersom zal zijn. Het handel/kapitaalverkeer zou de "zachte sector' van de hulp overheersen. Van den Broek is tegen zo'n superministerie omdat dit het ministerie van buitenlandse zaken volledig zou uitkleden.

Een derde, tussenvoorstel, wil van ontwikkelingssamenwerking een Rijksdienst maken binnen een ministerie. Het ontwikkelingswerk zou met zijn expertise een "neutrale status' moeten hebben zoals Rijkswaterstaat. Op die manier zou het ontwikkelingswerk een “zakelijk en technisch karakter” kunnen krijgen. Tegenstanders noemen dit idee een illusie omdat het ontwikkelingsbeleid van nature een politiek karakter heeft.

“Interventies in de ontwikkelingslanden zijn van A tot Z politiek”, aldus J. van Gennip, CDA-lid van de Eerste Kamer en een vroegere topambtenaar op het ministerie van Pronk. Hij vindt het onverstandig om zo'n rijksdienst te ver buiten de ministeriële verantwoordelijkheid te plaatsen. “Een rijksdienst is niet nodig, te duur en weinig democratisch”.