Schaduwkabinet: voetlicht of vergetelheid

LONDEN, 9 APRIL. Nog een dag en het kabinet dat in Downing Street 10 de lakens gaat uitdelen ziet er - een coalitie even daargelaten - misschien zo uit. Of het verdwijnt voorgoed in de vergetelheid.

“Een excellent schaduwkabinet”, zei Labourleider Neil Kinnock in oktober van het afgelopen jaar, toen dit gezelschap hem werd voorgeschoteld. Want een schaduwkabinet zelf kiezen kan een Labourleider (nog) niet. Volgens de regels van de partij stemmen de Labourparlementariërs onderling wie er namens hen op de voorste bank in het Lagerhuis mogen zitten. Eveneens volgens de regels moeten de veertien mannen en vier vrouwen die zij hebben gekozen door de partijleider in zijn kabinet worden opgenomen, zij het dat hij hun een andere portefeuille kan geven.

Het is niet zo dat Neil Kinnock nu het schaduwkabinet heeft dat hij niet heeft gewild. Een fikse portie handjeklap achter de schermen - de leukste uitstapjes, de meest lucratieve spreekbeurten, eem fles whisky in ruil voor een blanco stemformulier - maakt het de whips van de partij mogelijk de leider die namen te leveren die hij graag om zich heen zou zien. Bij de Conservatieven ging het in de strijd om het voortgezet leiderschap van mevrouw Thatcher volgens ingewijden net zo. “Alleen wij deden het niet zo vulgair als bij Labour gebeurt.”

De Financial Times noemde dit schaduwkabinet vorig jaar na zijn aantreden “een ontzagwekkend verkoopteam op een heftig concurrerende markt om stemmen”. De kwaliteit van het produkt daargelaten, de vertegenwoordigers steken soms met kop en schouders boven die van de Tories uit.

De sterkste troef in Kinnocks team is de minister van financiën-in-spe: John Smith. Deze Schotse advocaat straalt over zijn uilebril zoveel soliditeit en gezond verstand uit, dat de zweterige Norman Lamont, die maar steeds blijft voorspellen dat de recessie nu écht morgen voorbij is, daarbij straatlengtes achterblijft. Met Roy Hattersley, die is overgebleven uit een ver verleden, is Smith de enige in het Labourteam die kabinetservaring heeft. Smiths schaduw-begroting was een unicum. Niet langer kon Labour het verwijt worden gemaakt dat het zijn beloftes niet voorzag van "het prijskaartje'. Financiële analisten schieten weliswaar gaten in Smiths becijferingen, maar dat hebben ze ook gedaan in die van Lamont. Het is Smith en Smith alleen die bij een Labour-overwinning drijfanker in een zee van financieel-economisch wantrouwen moet spelen. Hij had twee jaar geleden een hartaanval, heeft daarna hard aan zijn conditie gewerkt en lijkt nu fit genoeg om dat aan te kunnen.

Rijzende sterren in de Labour Party zijn Gordon Brown en Tony Blair. Twee kiene jonge academici, van wie Brown genoteerd staat als een toekomstige leider van de partij. Brown bepleit een partnership tussen overheid en industrie, teneinde de sterk afgekalfde industriële basis van Groot-Brittannië te verdiepen en te verbreden.

Tony Blair is de man die de Britten moet doen geloven dat de vakbonden straks niet opnieuw de dienst zullen gaan uitmaken bij het beleid van de Labour-partij. Hij doet dat met een jeugdig enthousiasme en een overtuiging die gunstig afsteken bij de zure presentatie van zijn Conservatieve tegenvoeter, Michael Howard. Die is toch al in het nadeel, omdat hij sterk stijgende werkloosheid moet verdedigen als een betreurenswaardige, maar nu eenmaal noodzakelijke prijs voor het terugdringen van inflatie. “Als het geen pijn doet, werkt het niet”, zijn woorden die de regering-Major nog lang zullen worden nagedragen.

Robin Cook, de schaduwminister voor gezondheidszorg, is een kwaadaardige kobold, die met grote kennis van zaken en een diep instinct voor straatvechten zijn aristocratische tegenvoeter William Waldegrave keer op keer de hoek in heeft weten te drijven. De beschuldiging dat de Tories de staatsgezondheidszorg willen opsplitsen in een superbehandeling voor rijken en een derderangsbehandeling voor armen is in Cooks beheer een dodelijk wapen, ook al is de constatering maar heel gedeeltelijk terecht. Jack Straw, de schaduwminister voor onderwijs, heeft het op dit terrein moeilijker met Kenneth Clarke, de eerste Tory-minister die effect bereikt in zijn pogingen het staatsonderwijs te verbeteren.

De vier vrouwen in het schaduwkabinet zijn én het product van positieve discriminatie - elke "MP' moest tenminste drie vrouwelijke collega's op zijn stembiljet aankruisen - én kwalitatief minstens zo goed als hun Tory-collega's, de ziekelijke Jo Richardson daargelaten. Neil Kinnock gaat er prat op dat zijn kabinet vier - en John Majors kabinet niet één vrouw in de gelederen heeft.

De 61-jarige bioscoopfilmfanaat Gerald Kaufman is, als schaduwminister voor buitenlandse zaken, de enige onverklaarbare keuze van Kinnock. De Labourleider prees dezer dagen Kaufmans inzicht en diens capaciteit om ingewikkelde problemen te overzien, en bezwoer dat hij Kaufman als zijn minister van buitenlandse zaken zou houden. Maar Kaufman staat bekend als een man die het vitriool maar al te gemakkelijk van de tong druipt en als een persoon die met zijn Ninja Turtle-voorkomen weerstanden oproept - het tegendeel van de door Eton en Oxford tot oer-diplomaat gepolijste Douglas Hurd, die elke onbeheersbare situatie vloeiend naar zijn hand zet.

Hoe het zij, als het Kinnock allemaal toch niet mocht blijken te bevallen, dan is er altijd nog het fameuze instituut van de reshuffle. Een Britse premier kan daarmee zijn jokers schudden tot ze uit het pak vallen en dan vervangen door anderen. Daar kunnen de regels van de partij, mocht Kinnock 's lands eerste minister worden, niets aan verhinderen.