Optocht van achterblijvers

IS EEN LERAAR die vijfhonderd gulden bruto per maand minder verdient dan zijn oud-studiegenoot die nu bij een ministerie werkt een geval van nationaal onrecht? Het kader van de onderwijsbonden dat gisteren bijeenkwam in het Casino van Den Bosch vond van wel.

In grote eendracht met de twee aanwezige bewindslieden van onderwijs riepen de vakorganisaties het kabinet op om niet op de lastenverlichting van Brinkman en het Centraal Plan Bureau te gokken, maar desnoods va-banque te spelen bij het wegwerken van de loonachterstand die vorige maand nog eens door Research voor Beleid op verzoek van Ritzen werd beschreven.

Elders in de collectieve sector ontdekten verpleegsters gisteren ook achterstanden op hun loonstrookje en vroegen daar opnieuw aandacht voor. Het was een aanwijzing dat het onderwijs niet het monopolie op achterstanden heeft. Een andere reden voor Kok om niet bij voorbaat de kas voor onderwijs wijd open te zetten heeft Ritzen de afgelopen maanden zelf bij herhaling genoemd: Nederland geeft met 33 miljard al relatief veel aan onderwijs uit. Blijft de essentiële vraag overeind: wordt het geld goed besteed? In het algemeen kan men zeggen dat onderwijzend personeel en verplegers het echte werk doen en dat zij daarvoor behoorlijk dienen te worden gehonoreerd. Als ondanks zo'n groot budget dat geld er niet is dan is er iets fundamenteels mis. En dat klopt ook, want achtereenvolgende kabinetten hebben zich telkens opnieuw voorgenomen om het centrale ambtenarenapparaat te saneren (grote efficiency-operatie) en telkens opnieuw zijn die operaties vastgelopen. Het ongenoegen over het feit dat datzelfde ambtelijke apparaat dan ook nog beter wordt gehonoreerd is begrijpelijk, al zou men de achterstand van docenten ook ongedaan kunnen maken door de voorsprong van de ambtenaren teniet te doen....Waar het om gaat is dat de politiek los van het ambtelijk apparaat in staat is keuzes te maken en, nog belangrijker, uit te voeren.

EEN BELANGRIJKE oorzaak van de nieuwste discussie over de lonen in het onderwijs heeft te maken met keuzen die achtereenvolgende bewindslieden van onderwijs, dus ook Ritzen, hebben gemaakt binnen hun begroting. Dat maakt de gezamenlijke optocht van bonden en bewindslieden richting departement van Kok wat vreemd. De twee partijen sloten in het verleden wel vaker gelegenheidspacten in het arbeidsvoorwaardenbeleid, bijvoorbeeld door dure afvloeiingsregelingen of werkgelegenheidsgaranties overeen te komen bij grote fusie-operaties zoals in het hoger beroepsonderwijs.

Ritzen en Wallage kozen er in het begin van deze kabinetsperiode voor om niet de extra salarisachteruitgang voor het onderwijs uit 1983 (WIISO) ongedaan te maken, maar dat geld vrij te houden voor werkgelegenheidsmaatregelen zoals het opheffen van de bezuinigingen op het personeel in het kleuteronderwijs (vierjarigen-maatregel). En toen vorig jaar de personele uitgaven in het onderwijs bleken mee te vallen, reserveerde Ritzen die meevaller niet voor een tweede lerarenconvenant dat Wallage na het afsluiten van het eerste convenant in 1990 had aangekondigd, maar leverde die in bij een bezuinigingsronde.

OOK HET BEROEP van Ritzen op de tanende belangstelling voor het beroep van leerkracht als rechtvaardiging voor een flinke bijdrage van het kabinet overtuigt niet echt. Na jaren van dalende werkgelegenheid in het onderwijs en dus minder inschrijvingen bij de lerarenopleidingen en pedagogische academies, is in de werkgelegenheid inmiddels een keerpunt bereikt en gaat het bij de opleidingen al enige tijd ook weer beter. Dat het beroep nog steeds minder populair is dan vroeger heeft meer met culturele ontwikkelingen zoals de individualisering van de leerling en proliferatie van kennisbronnen buiten de school (zoals de televisie) te maken, dan met het salarisstrookje. Voor de wervende kracht voor het vak van Theo Thijssen is het dan ook beter op dergelijke ontwikkelingen in te spelen door de professionaliteit en daarmee het zelfvertrouwen van de leerkracht te versterken. Ook invoering van een vorm van prestatiebeloning, waarvoor Ritzen gisteren tijdens de vakbondsbijeenkomst op grond van de uitslagen van de NRC Handelsblad-enquête terecht de aandacht vroeg, kan daarbij helpen.

TOCH KUNNEN ook financiële verbeteringen door Ritzen zelf helpen het aanzien van het beroep te verbeteren. Daarbij ligt het voor de hand de aantrekkingskracht van het onderwijs voor komende studenten te vergroten door de positie van jonge, beginnende leerkrachten verder te verbeteren. Zij moesten in de jaren tachtig fors inleveren ten gunste van de oudere, zittende leerkracht.

Ook de aanslag die het kabinet op het onderwijs deed met de WIISO-maatregel om daarmee een gat in de rijksbegroting van 1983 te dichten, moet, alleen al om redenen van historische rechtvaardigheid, door Ritzen worden tenietgedaan. Hoe klein het effect daarvan op het loonstrookje ook is (maar daarmee ook de uitgave voor het ministerie), voor leraren is de korting symbolisch voor de achterstand die zij in het vorig decennium opliepen.