Laboratoriumjassen zijn broedplaats voor bacteriën

Frisgewassen witte labjassen zijn het visitekaartje van een goed georganiseerd laboratorium.

Maar volgens onderzoekers van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne (RIVM) in Bilthoven vormen diezelfde witte jassen een broedplaats voor bacteriën. De biotechnologisch onderzoeker, die zijn genetisch veranderde micro-organismen volgens de regelen der kunst netjes achter gesloten deuren bestudeert, smokkelt ze op zijn labjas toch ongemerkt mee naar buiten. Via de wasserij komen genetisch veranderde bacteriën in grote aantallen in het milieu terecht.

Het meeste recombinantwerk gebeurt met de darmbacterie Escherichia coli, in het bijzonder met stam K12, die "kreupel' is gemaakt waardoor hij alleen in het laboratorium kan overleven. Aan een natte jas klevende bacteriën zouden, dacht men, snel het loodje leggen als de jas was opgedroogd. Maar volgens de RIVM-onderzoekers Hayo Canter Cremers en Herman Groot blijkt dat niet te kloppen. Als de jas is opgedroogd blijkt de daarop aanwezige bacterieflora nog springlevend. Bovendien sturen laboratoria hun jassen doorgaans naar gewone wasserijen, waar ze eerst een tijdje in de week worden gezet in lauw water van zo'n 35 graden: de ideale omstandigheden voor snelle vermenigvuldiging. Daarna worden ze zonder meer het riool in gespoeld. Hiermee worden alle inspanningen om het onderzoek zelf zorgvuldig achter gesloten deuren uit te voeren weer teniet gedaan.

Op snippertjes van een twee jaar oude labjas bleken leden van de "kreupele' K12-stam net zo goed te overleven als hun taaie wilde broertjes, ook als er vreemd DNA was ingebouwd. Waarschijnlijk komen ze ook via de vezels van de jas op de daaronder gedragen kleding terecht. De meeste kleren worden gewassen op 30, 40 of 60 graden, uit waswater van deze temperaturen konden levende bacteriën worden gesoleerd. In het riool kunnen ze zo'n 72 uur overleven, de kans op genetische uitwisseling met gewone coli-bacteiriën in het riool is dan ook tamelijk groot.