Keuzebegeleiding

Door een aantal onvolledigheden in het artikel van Wammes Bos in W&O van 19 maart dreigt een enigszins ongenuanceerd beeld te ontstaan over de studie- en beroepskeuzebegeleiding in het voortgezet onderwijs.

Deze begeleiding behoort tot de taak van de decaan, een leerkracht die daartoe over decanaatsuren beschikt. Over het aantal taakuren voor het decanaat bestaan wel degelijk richtlijnen. Een gangbare norm is die van de Nederlandse Vereniging van Schooldekanen. Uitgaande van 1 decaan op 400 leerlingen, wordt deze norm uitgedrukt in de formule: aantal decanaatsuren=5D+Y/100; waarin D het aantal decanen en Y het aantal leerlingen is.

Ten gevolge van maatschappelijke ontwikkelingen en veranderingen in het arbeidsbestel, heeft zich een verschuiving voorgedaan van adviseren naar begeleiden, waarbij de nadruk meer is komen te liggen op het keuzeproces dan op de keuze zelf. Deze procesbenadering impliceert een zware taakbelasting voor de decanen, waarvoor het aantal beschikbare taakuren ontoereikend is. In de Wet op de Basisvorming is voorgesteld de studie- en beroepskeuzebegeleiding te integreren in de leerlingbegeleiding (het mentoraat) en in de schoolvakken. De functie van de decaan zou omgevormd moeten worden tot een tweedelijns functie, waarin hij tevens een coördinerende taak vervult. Dat docenten verplicht worden tot het geven van informatie over beroepen en arbeidsmarkt, betekent niet, zoals Bos suggereert, dat deze taak door de vakdocenten overgenomen wordt. De decaan is en blijft specialist, die niet alleen maar roept dat er met een studie Frans geen droge boterham te verdienen valt.

De constatering dat er in Nederland nooit wetenschappelijk onderzoek is verricht naar de effecten van keuzebegeleiding, is onjuist. Sinds eind 1990 loopt er onderzoek naar het functioneren en rendement van het decanaat, uitgevoerd door de Stichting Centrum voor Onderwijsonderzoek. Eind juni komt hierover een rapport uit.

Het vaststellen van de effecten van keuzebegeleiding is niet zonder problemen. In de eerste plaats is onduidelijk in hoeverre de gevonden effecten toe te schrijven zijn aan de keuzebegeleiding op school dan wel aan invloeden daarbuiten, zoals de ouders. In de tweede plaats bestaat er geen eenduidigheid omtrent de doelen van keuzebegeleiding en daarmee samenhangend, de beoogde effecten en de criteria aan de hand waarvan deze vastgesteld kunnen worden. Gaat het om "juiste' keuzen, of om de adequaatheid van het keuzeproces, waarin leerlingen léren keuzen te maken?

Is het bestaan van spijtoptanten, die van het ene vak naar het andere switchen, zoals Bos dat stelt, een indicatie van slecht rendement of is hun keuzeverandering het resultaat van een leerproces? Wat is, tenslotte, een "juiste' keuze? De leerling, de school, de arbeidsmarkt en de economie hebben elk een eigen belang bij een goede keuze, waarover verschillende opvattingen bestaan.

Om in dit labyrint van slingerpaden enig licht te werpen, is in het onderzoek het rendement vanuit verschillende invalshoeken benaderd: de schooldirectie, de decaan, de leerlingen en hun ouders, waarbij een aantal mogelijk veronderstelde effecten is onderzocht.