Gen voor syndroom van Marfan ligt op chromosoom 15

Abraham Lincoln, de Amerikaanse president die met zijn 1 meter 97 in de vorige eeuw hoog boven iedereen uittorende, wordt vaak als de meest illustere lijder aan het syndroom van Marfan beschouwd.

Lincoln's broodmagere gestalte en lange dunne vingers (arachnodactylie of spinnepootvingers) zijn typisch voor deze bindweefselziekte. Of hij echt aan de ziekte geleden heeft is onbekend, want hij stierf in 1865, ruim voor de Parijse kinderarts Antoine Marfan in 1896 het ziektebeeld voor het eerst beschreef.

Het heeft tot 1990 geduurd voor men er eindelijk in slaagde om bij patiënten met het syndroom van Marfan afwijkingen in het fibrilline, een belangrijke bouwsteen van het elastische bindweefsel, aan te tonen. Bij een fibrilline-defect kunnen functiestoornissen opduiken in alle weefsels waar zich overvloedig elastisch bindweefsel bevindt. Daarmee kunnen alle kenmerkende afwijkingen bij het syndroom van Marfan worden verklaard, dus niet alleen de merkwaardige skeletafwijkingen, maar ook de slechte ophanging van de ooglens, de lekkende hartkleppen en de zwakke, uitpuilende wand van de grote slagaders. De zwakke vaatwand is de belangrijkste oorzaak van de vroegtijdige dood bij veel patiënten met het syndroom van Marfan.

Min of meer gelijk met de ontdekking van de afwijkende fibrilline-vezeltjes toonden Finse onderzoekers aan dat bij vijf families met het syndroom van Marfan een afwijking bestond op het chromosoom 15. Het raadselachtige beeld leek opgelost toen kort daarop bevestigd werd dat ook het gen voor fibrilline zich vermoedelijk op diezelfde plaats bevond. In Amerika werd er zelfs meteen over gesproken om nu eens en voor altijd te bepalen of Abraham Lincoln aan het syndroom van Marfan geleden had door een DNA-onderzoek uit te voeren op stukjes bot en haarlokken die na de moord op Lincoln bewaard waren gebleven.

Toch waren er nogal wat onderzoekers die dachten dat een afwijking in het fibrilline-gen op chromosoom 15 nooit alle variëteiten in het syndroom van Marfan kon verklaren. Daarvoor zou het beeld van verschillende patiënten te veel verschillen. Bovendien zijn er ook gevallen met een geïsoleerd defect aan een hartklep of alleen skeletafwijkingen. Toen vorig jaar aangetoond werd dat bij deze laatste aandoening een gen op chromosoom 5 betrokken was, leek dit de veronderstelling te bevestigen dat er bij Marfan verschillende chromosomen een rol spelen.

In "The New England Journal of Medicine' van 2 april wordt een poging gedaan om dit vraagstuk op te lossen. Bij maar liefst 36 families werd genetisch onderzoek verricht. Sommige patiënten vertoonden het volledige syndroom van Marfan en anderen hadden alleen bepaalde geïsoleerde afwijkingen. Daaruit is gebleken dat het volledige syndroom van Marfan uitsluitend voorkomt bij een gendefect op chromosoom 15 en nooit bij een defect op chromosoom 5. De Finse onderzoekers hadden dus gelijk. De grote variatie bij het syndroom van Marfan zal wellicht verklaard kunnen worden door verder onderzoek naar de precieze afwijkingen in het fibrilline-gen op chromosoom 15 en deze dan te koppelen aan de ernst van het ziektebeeld. Als men daar in geslaagd is wordt het mogelijk om het verloop van het ziektebeeld te voorspellen en daaraan de zorg aan te passen.

De verantwoordelijkheid voor de wildstand blijft bij de jachthouder. Wildbeheerseenheden (lokale "jachtverenigingen') zullen per gebied een verschillend soort verantwoordelijkheid moeten waarmaken, aldus Gabor.