Districtenstelsel heeft voordelen

Bij de Britse verkiezingen van vandaag is niet alleen in het geding wie het Verenigd Koninkrijk gaat regeren, maar ook het kiessstelsel zelf. Terwijl sommige Britten voor evenredige vertegenwoordiging pleiten, zijn er in Nederland mensen die daar juist vanaf willen.

Thijs Wöltgens, de fractieleider van de PvdA in de Tweede Kamer sprak zich onlangs uit voor een (beperkt) districtenstelsel bij de verkiezingen. Velen hier vinden zoiets een huiveringwekkende gedachte want een districtenstelsel zou erg ondemocratisch en vooral on-Nederlands zijn.

Het huidige systeem van evenredige vertegenwoordiging bestaat echter pas bijna vijfenzeventig jaar en juist de bestaansgronden van dat kiessysteem zijn de laatste jaren helemaal verdwenen. Waarom dus niet terug naar dat Nederlandse systeem van vóór 1918? Kort na 1848, het begin van het moderne parlementaire stelsel, werd de Tweede Kamer bevolkt door afgevaardigden, die onafhankelijk opereerden, die zich niet lieten vastleggen op een gemeenschappelijk politiek program en er al helemaal niet aan dachten zich te voegen in zoiets als een partij-organisatie. Sterker nog, in de negentiende eeuw konden lieden die ervan verdacht werden aspiraties in die richting te hebben, rekenen op zware kritiek omdat dat betekende dat je vrijwillig afstand deed van een zelfstandig oordeel en je conformeerde aan inzichten van drammerige minderheden, terwijl het juist de taak van een volksvertegenwoordiger moest zijn om op te komen voor het algemeen belang.

De Tweede-Kamerleden werden gekozen onder een districtenstelsel, wat betekende dat ze na een rechtstreekse strijd tegen een aantal opponenten in hun district op persoonlijke titel en op grond van persoonlijke merites in de Kamer kwamen.

Met het optreden van Abraham Kuyper, die in 1874 door Gouda naar de Kamer werd afgevaardigd, kwam er verandering. Hij zag het als zijn taak de orthodox-protestantse "kleine luyden' te emanciperen en een politieke stem te geven in het publieke leven dat gedomineerd werd door vrijzinnige, liberale grand-seigneurs. Als eerste ontwierp hij een partijprogramma waarmee hij in 1879 tot de oprichting van de Anti-revolutionaire Partij, de ARP kwam. Kuypers succes in partijvorming werd nagevolgd door andere "onderdrukte' minderheden: katholieken en socialisten en dit samengaan van sociale emancipatie en politieke organisatie vormde de grondslag voor wat "verzuiling' werd genoemd.

Met de invoering van het systeem van evenredige vertegenwoording in 1918 werd de ontstane prakijk in feite geformaliseerd. Doordat alle stemmen die landelijk op een partij waren uitgebracht, werden opgeteld, was het voor de inviduele kandidaten niet belangrijk voor de eigen verkiezing campagne te voeren. Het volstond de zegeningen te schetsen die de partij voor het land in petto had. Opgesteld achter de rug van de meer of minder charismatische partijleider werden de kandidaten na de verkiezingen "en bloc' in de Tweede Kamer afgeleverd. Maar in feite waren ze niet door de kiezer, maar door het partijbestuur gekozen.

De nadelen van het nieuwe kiessysteem werden al kort na 1918 zichtbaar. De relatief nieuwe partijen veranderden van voertuigen voor de verheffing van achtergestelden in gesloten machtsbastions. Tijdens het interbellum hielden confessionele coalitiekabinetten de macht stevig in handen en kon kon het parlement praktisch buitenspel worden gezet omdat de leidinggevende politici in de regering zaten en de dienst in hun partij uitmaakten (Colijn, Ruys de Beerenbrouck, De Geer)

Na de Tweede Wereldoorlog werd er een poging ondernomen een "doorbraak' te bereiken in het verzuilde partijsysteem, maar de vernieuwingsgezinde socialisten die zich daarvoor inzetten, kregen weinig bijval van de confessionelen, en de status quo keerde terug. Pas in de tweede helft van de jaren zestig leek er verandering op til te zijn. De bijna "natuurlijke' binding die ouderen voelden met hun partij, ontbrak meestal bij de jonge generatie. De levensbeschouwelijke partijen moesten grote electorale verliezen incasseren, met name de KVP en aanvankelijk ook de PvdA. D'66, een van de nieuwe partijen, pleitte toen al voor een districtenstelsel en een directere band tussen kiezer en gekozene.

Van de vernieuwingsvoorstellen werd echter niets overgenomen. Het bestaande kiesstelsel bleef gehandhaafd. De partijen gingen op de oude voet verder . Zijzelf en niet de kiezers bepaalden wie het volk vertegenwoordigde. Met een blokkerend CDA, in de jaren tachtig weer in een herwonnen machtspositie, is de discussie over hervormingen van het bestel weer ver weggezakt. Ooit was het huidige kiessysteem van evenredige vertegenwoordiging een goede manier om grote massa's kiezers bij het bestuur van het land te betrekken. Ooit was het een legitiem hulpmiddel om bevolkingsgroepen te emanciperen en mee te laten functioneren in het openbare leven. Ook na de oorlog was er nog een verbondenheid van veel mensen met hun politieke partij, als vertegenwoordigster van hun levensbeschouwing, hun "zuil'. Al koos deze kiezer niet direct zijn partijvertegenwoordiger in de Kamer, hij koos toch bewust voor een "beginsel'.

In de laatste vijfentwintig jaar zijn de politieke partijen echter op drift geraakt. Ze verloren hun trouwe, vaste aanhang en weten nauwelijks een ideologische koers te bepalen. Het CDA werd een pragmatische middenpartij en de PvdA bleef veel te lang vasthouden aan uitgangspunten die verbonden waren met het verleden, maar heeft zich sinds een paar jaar ook vernieuwd. De politieke partijen hebben afscheid genomen van het verzuilde, ideologisch geladen verleden en stellen zich flexibel en redelijk open op. Ze hebben geen hapklare boodschappen meer en pretenderen ook niet dat zij de waarheid in pacht hebben.

Waarom blijven we dan zitten met een totaal verroest en niet-individueel kiesstelsel? Als we de partijleider al met moeite kunnen betrappen op duidelijke standpunten, als we meestal niet weten waar onze partij voor staat; hoe moeten we dan weten hoe de gemiddelde "backbencher' van de partij van onze keuze, over bepaalde zaken denkt? Het enige houvast van de kiezer ligt juist in die persoon, of eigenlijk: zo zou het moeten zijn, want het is toch wel heel navrant dat je nauwelijks mensen kent die jou in Den Haag behoren te vertegenwoordigen en die alleen maar "achter de brede rug van de fractieleider' in het parlement zijn beland.

Met verkiezingen volgens het districtenstelsel neemt de betekenis van de partij af en die van de individuele kandidaat toe. Hoewel met een verandering van het kiesstelsel niet al het democratisch falen automatisch wordt opgelost, durf ik twee garanties te geven: de kwaliteit van de Kamerleden zal omhoog gaan en de band tussen kiezer en gekozene zal directer en dus beter worden.