De Europese kiezers zijn op drift

Er dreigt iets mis te gaan in Europa. De uitslagen van de verkiezingen in diverse Europese landen wijzen op een fundamentele verandering van de politieke cultuur. Traditionele politieke partijen zien hun machtsbasis afbrokkelen. Ze slagen niet in overtuigende antwoorden te formuleren op de nieuwe problemen die rijzen. De kiezers blijven weg of zijn op drift geraakt. Vooral extreem-rechts lijkt hierbij garen te spinnen, maar ook milieupartijen en systeem-kritische groeperingen winnen. Als deze trend zich doorzet, zou dat een bedreiging kunnen betekenen voor de stabiliteit in heel Europa.

Voor deze politieke crisis is een aantal oorzaken aan te wijzen.

Economische recessie en werkloosheid leiden bij veel kiezers tot een gevoel van onzekerheid. Buitenlanders krijgen de schuld van de economische ellende. Dat verklaart onder meer de groei in Frankrijk van het Front National van Jean-Marie Le Pen, die bij de laatste regionale verkiezingen 13,9 procent van de stemmen haalde. De winst van het Vlaams Blok bij de recente Belgische verkiezingen heeft een sterke component van vreemdelingenhaat. De groei van de rechts-radicale Oostenrijkse FPÖ, die onder leiding staat van de populistische Jörg Haider, valt ook op deze wijze te verklaren. Bij de gemeenteraadsverkiezingen die in november van het afgelopen jaar werden gehouden steeg deze partij in Wenen naar drieëntwintig van de honderd zetels. Ook in verscheidene Noordse landen heeft de afkeer van vreemdelingen politiek vorm gekregen.

In Duitsland beginnen de kosten van de eenwording zwaar te drukken. Wat bereikt wordt in Oost-Duitsland blijft achter bij de verwachtingen. De onvrede over slechte huisvesting en stijgende criminaliteit is groot. Met gevoelens van xenofobie vormen deze factoren een belangrijke verklaring voor de onverwacht grote winst van extreem-rechts. In Sleeswijk-Holstein haalde de Deutsche Volks Union zondag ruim zes procent van de stemmen, terwijl Schönhubers Republikaner in Baden-Würtemberg bijna elf procent scoorden. Opvallend is dat extreem-rechts vooral veel stemmen behaalde bij jonge kiezers, van wie een deel voor het eerst de gang naar de stembus maakte.

Een sterk ideologische component lijkt de keuze voor extreem-rechts in Europa vooralsnog niet te hebben. Politieke leiders als Le Pen en Haider zijn meer de tolk van heersende onvrede dan dat zij nazistische of fascistische maatschappijmodellen voor ogen hebben. De uiting van politieke onvrede heeft een defensief karakter.

De vaak gebrekkige functionering van het politieke bestel. Italië is daarvan het meest duidelijke voorbeeld. De opkomst van de Lega Nord, die zich afzet tegen alles wat er uit Rome komt zonder daarvoor een geloofwaardig alternatief te hebben, getuigt van weerzin tegen de traditionele politici. De beweging in Schotland voor grotere autonomie en zo mogelijk volledige zelfstandigheid, heeft de steun van meer dan driekwart van de Schotse kiezers, zo blijkt uit recente opiniepeilingen. Ook daar leeft het gevoel dat van Londen geen heil meer te verwachten is. En ook in het Belgisch stemgedrag zit expliciete kritiek op het systeem.

De oriëntatie op het Verenigde Europa is niet meer eenduidig. Lange tijd zag het er naar uit dat de weg naar een verdere eenwording van Europa weliswaar moeilijk begaanbaar was, maar dat op die weg sprake was van, zij het soms langzaam, eenrichtingsverkeer. De economische eenwording zou onvermijdelijk gevolgd worden door politieke en militaire unificatie. Maastricht was het voorlopige hoogtepunt van die ontwikkeling.

Maar het enthousiasme is tanende. Het is nog maar de vraag of de Deense regering erin zal slagen haar onderdanen over de Europese streep te trekken. In Duitsland worden de stemmen steeds luider van degenen die zich afvragen of de Duitse mark wel moet worden ingeruild voor de Europese ecu. Daar komt bij dat de Duitse deelstaten van oordeel zijn dan zij een grotere stem in het Europese kapittel dienen te krijgen. Al geruime tijd zijn in landen als Oostenrijk en Zweden twijfels te bespeuren of men zich inderdaad wel aan moet sluiten bij het verenigde Europa. Hoe meer een ongrijpbare bureaucratie in Brussel tot het dagelijkse leven doordringt, des te minder spreekt het opgaan in Europa tot de verbeelding. Zodra maatschappelijke groepen negatieve gevolgen ondervinden van de Europeanisering, zoals nu het geval is bij veel boeren, is er sprake van openlijk verzet. Tot nog toe trokken de regeringen zich niet zoveel aan van die aarzelingen. Nu steeds meer van hun zeggenschap wegvloeit naar Brussel nemen ook onder de politici de aarzelingen toe.

Overigens is dit verschijnsel niet eenduidig. Regio's die streven naar grotere zelfstandigheid ten opzichte van hun nationale regering, zweren in toenemende mate bij Europa. Zowel de Italiaanse Lega Nord, Schotland als Catalonië verwacht meer heil van Brussel dan van respectievelijk Rome, Londen en Madrid.

Dat de drie bovengenoemde factoren konden leiden tot het weglopen van de kiezers bij de traditionele politieke partijen heeft alles te maken met het einde van de Koude Oorlog. Het einde van de tegenstelling tussen Oost en West heeft ertoe geleid dat de samenbindende angst voor een gewelddadige externe dreiging is verdwenen. Je hoeft niet meer voor de sterke defensie van conservatieve politici te stemmen om je de communisten van het lijf te houden.

Maar ook de ideologische component in de politiek heeft met het einde van het communisme grotendeels afgedaan. De ondergang van het communisme heeft de twijfel over de maakbaarheid van de samenleving - een gedachte die vooral in socialistische kring sterk leefde - alleen maar vergroot. Ook voor de strijd voor een goed milieu, een betrekkelijk recent thema in de politiek, verwacht men zijn heil niet van de socialisten. De opkomst van de Groenen, eerder in Duitsland en meer recent in Frankrijk, leidt zo tot een verdere versplintering van het politieke spectrum.

Het politieke evenwicht van Europa is in het geding. Politieke instabiliteit zal de consistentie en de voorspelbaarheid van het beleid fundamenteel aantasten. Voor een effectief bestuur is een hechte politieke basis nodig, die niet door een klein windstootje van een electorale terugslag of verandering van stemming omver wordt geblazen. De oude partijen zullen zich moeten realiseren dat de nieuwe kiezer mondiger is geworden en zijn stem niet meer uitbrengt op basis van herkomst, religie of maatschappelijke status. Pogingen om via veranderingen van het kiesstelsel, zoals in verscheidene Westeuropese landen wordt overwogen, de kiezersstroom alsnog in meer gewenste banen te leiden, leveren hoogstens noodverbanden op.

Ook gezien de effecten naar buiten toe, is het van belang dat de politieke partijen zich herbezinnen op hun rol, hun doelstellingen en middelen. Mag het enthousiasme voor het Verenigde Europa op het westelijk deel van het continent teruglopen, in het oosten verwacht men dat de welvaart uit het Westen zal komen. Een hechte Europese Gemeenschap biedt Oosteuropeanen, zowel economisch als politiek, het meeste perspectief. Het is de verantwoordelijkheid van het Westen om dat perspectief open te houden. De onderlinge conflicten en de interne problemen binnen het voormalige Warschaupact zijn nu al gigantisch. Als hun uitzicht op verbetering van hun lot wordt ontnomen, dan kan dat tot wanhoop leiden die politiek dramatische vormen aanneemt.