De droeve balans van de plezierjacht

In de Nota Jacht- en Wildbeheer wordt de jacht een aantal beperkingen opgelegd. Maar zolang een diersoort niet in gevaar komt, mogen de jagers oogsten.

In sommige primitieve zuidelijke landen wordt nog op trekvogels geschoten. Leeuweriken, lijsters en andere onschuldige kleine zangertjes worden als volksvermaak uit de lucht geknald om vervolgens, geplukt en wel, als piepkleine maar o zo smakelijke hapjes in de koekepan te belanden. Sijsjes sterven op de lijmstok een jammerlijke trage dood. Tortelduiven worden ter hoogte van Bordeaux bij bosjes omlaag gehaald en ooievaars, een zomer lang liefdevol grootgebracht op Nederlandse vogelstations, worden op herfsttrek naar het verre zuiden onbekommerd afgepaft. Het is te walgelijk voor woorden.

Intussen worden in ons eigen beschaafde land elk jaar 1,2 miljoen trekvogels en meer dan een miljoen andere dieren geschoten, het merendeel daarvan volstrekt onschuldig en zonder enige dwingende noodzaak. Alleen al van de kolgans, een trekvogel die in de landen om ons heen beschermd is, worden er jaarlijks in ons land zo'n 60.000 stuks geschoten. Uit Engels onderzoek blijkt dat een derde tot de helft van alle ganzen aangeschoten is en met hagelkorrels in het lichaam rondvliegt. Datzelfde geldt voor Kleine zwanen.

Verder schieten jagers volgens cijfers van de Dierenbescherming elk jaar zo'n 500.000 wilde eenden (enkele tientallen procenten van de najaarsstand) evenals 400.000 houtduiven, 50.000 kauwen, 40.000 meerkoeten, 200.000 hazen, 250.000 fazanten, 326.000 konijnen, 41.000 katten, 5000 knobbelzwanen... Een onafzienbare lijst.

Krakeend en pijlstaart, kuifeend en toppereend, watersnip en goudplevier en nog een heel rijtje andere onschuldige watervogels die in moerasgebieden leven zijn nog altijd vogelvrij. Voor de trage implementatie van de Europese vogelrichtlijn is Nederland al tweemaal door de Europese Rechter in Luxemburg veroordeeld.

Briefjes van honderd

""Laatst sprak ik iemand uit de bankwereld'', zegt Jan Bonjer, directeur van de Vogelbescherming, ""toen hij hoorde dat de befaamde snip, sieraad van onze briefjes van honderd, nog altijd volop wordt geschoten, wou hij me nauwelijks geloven. Je zou verwachten dat zoiets in een beschaafd land als het onze al tientallen jaren geleden was afgeschaft.''

Inmiddels is de watersnip, vooral door verlies aan leefgebied, een van de meest bedreigde broedvogels van Midden- en West-Europa. Buiten onze grenzen, in Vlaanderen en ook in de Duitse deelstaat Nordrhein-Westfalen is hij beschermd, maar in ons land worden er jaarlijks 17.000 geschoten. Achteruitgang van de stand wordt overigens niet door de Vogelbescherming als argument in de strijd geworpen, want goede cijfers zijn schaars en daar valt altijd over te twisten. Het is een kwestie van ethiek: een wild dier hoeft niet eerst zeldzaam te worden voordat het recht op bescherming heeft.

Ruige hoekjes

De patrijs wordt overigens wèl bedreigd. Nu de ruige hoekjes waar de dieren broeden in cultuur zijn gebracht en de akkerranden, waar jonge patrijzen van insekten leven met insekticiden worden bewerkt, loopt de patrijzenstand hard terug, sinds 1978 met 50 procent of meer. Plaatselijk is de vogel zelfs geheel verdwenen. Daarom lanceerde het ministerie van Natuurbeheer vorig jaar met veel élan een vijf jaren durend soortbeschermingsplan ter waarde van 2,63 miljoen gulden waaronder ƒ 400.000 uit het Jachtfonds. Dat is ruim 6.000 gulden per vierkante kilometer projektgebied om de patrijzenstand daar van 2,5 naar 5 broedparen te doen toenemen. Intussen mogen, in strijd met iedere logica, elk jaar 10.000 patrijzen, 17 procent vantotale populatie, worden geschoten.

Hetzelfde verhaal geldt voor de haas, de hazenstand holt achteruit. Een eenzijdig gewasaanbod met intensieve onkruidbestrijding ontneemt hem, vooral in de winter, zijn kostje. Beschutting voor de jongen tegen rovers en kou is op het geëgaliseerde boerenland nog nauwelijks te vinden en veel jonge hazen belanden in de cyclomaaier. Terreinbeheerders zien op hun vaste ronde veel minder hazen dan tien of twintig jaar geleden. Toch wordt elke winter ruwweg een derde van de hazenstand geschoten, het merendeel niet in de boerenkool maar op grasland waar de dieren volstrekt onschadelijk zijn.

Uit de schatkist komt ook de rijkspremie van 15 gulden voor een geschoten vos, vorig jaar 8000 stuks bij elkaar. Vormen vossen niet een gevaar voor de volksgezondheid, de verspreiders van hondsdolheid? Nu er betrouwbare methoden worden toegepast om vossen in het bos oraal te vaccineren door met vaccin doordrenkt aas voor ze neer te leggen is dat argument echter achterhaald en als men wil voorkomen dat buitenlandse, ongevaccineerde vossen de grens oversteken dan dient men in eigen land juist een overschot in plaats van een vacuüm te creëren.

""Het is een schande dat dit prachtige dier, onderdeel van ons cultuur-en sprookjeserfgoed zo wordt vervolgd. Dat rijksgeld kan in deze tijd van bezuiniging beter worden besteed,'' zei de Amsterdamse oud-rechter mr. A.J. Cnoop Koopmans. Hij sprak namens de zes organiserende natuurbeschermingsorganisaties van het congres "Verantwoord Faunabeleid', afgelopen zaterdag in de Reehorst in Ede gehouden. Initiatiefnemer was de Stichting Kritisch Faunabeheer.

"Meer dan twee miljoen van onze wilde dieren', aldus Cnoop Koopmans, "worden jaarlijks geschoten zonder voldoende reden en alleen voor de lust en het genoegen van een kleine groep exclusieve, excentrieke, bevoorrechte personen. Het is onbegrijpelijk dat wij ons dat met zijn allen nog steeds laten welgevallen.'

Verbrokkelde wetgeving

Aanleiding voor het congres was de Nota Jacht- en Wildbeheer, die het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij onlangs liet verschijnen als voorschot op de nieuwe Flora en Faunawet, die al jaren in de maak is. Hij moet het ratjetoe van verbrokkelde en verouderde bestaande wetten vervangen, waaronder de Vogelwet, de Natuurbeschermingswet, de Jachtwet en de Wet Bedreigde Uitheemse Diersoorten.

De nieuwe overheidsfilosofie rond het jachtbeleid werd op het congres helder uiteengezet in de openingstoespraak van staatssecretaris drs. J.D. Gabor van natuurbeheer, die zich manmoedig in een zaal vol opgewonden natuurbeschermers waagde (""Iedereen zei me dat ik dat vooral niet moest doen, dus dan doe ik dat juist.'').

Gabor zei duizenden brieven te krijgen uit de jachtsector waar kennelijk het idee heeft postgevat, dat hij met zijn nota - die nu in discussie is - de jacht gaat verbieden. Dat is echter beslist niet het geval. Uitgangspunt van de nieuwe wet wordt de instandhouding van populaties. De systematiek van de wet wordt zo, dat in beginsel elke ingreep in populaties van planten en dieren verboden is.

Daarmee, zegt Gabor, krijgen alle inheemse soorten een zekere basisbescherming. Ingrepen in populaties van bepaalde soorten in het kader van de jacht zijn echter aanvaardbaar, onder stringente voorwaarden. Het voortbestaan van de soort mag er niet door in gevaar komen. Bovendien moet de jacht volgens de staatssecretaris een redelijk doel dienen, bijvoorbeeld als het bejaagbare dier een nuttige consumptiebestemming vindt, of om wildschade te voorkomen. Het schieten op dieren alleen maar omdat ze zo'n mooie schietschijf vormen, noemt Gabor onaanvaardbaar.

Hoewel de nota onderstreept dat de natuurwaarde van wilde dieren voorrang moet krijgen boven wat genoemd wordt de "recreatieve en economische waarde van het dier' wil de overheid de verantwoordelijkheid niet neerleggen op het niveau van het individuele dier - zoals de natuurbeschermingsorganisaties bepleiten - maar op soortsniveau. Zolang een soort niet in gevaar komt, mag men oogsten.

In natuurgebieden waar spontane ontwikkelingsprocessen ruim baan krijgen past volgens de staatssecretaris geen jacht. Op landbouwgronden daarentegen is het argument van de wildschade maatgevend, andere gebieden liggen daar tussenin.

De verantwoordelijkheid voor de wildstand blijft bij de jachthouder. Wildbeheerseenheden (lokale "jachtverenigingen') zullen per gebied een verschillend soort verantwoordelijkheid moeten waarmaken, aldus Gabor.

Moerasvogels

Wat betekenen deze voornemens nu concreet? In de praktijk blijft de kolganzenjacht gewoon bestaan, terwijl van de elf "onschuldige' moerasvogels plus de patrijs waarvoor Vogelbescherming sinds 1988 campagne voert, straks alleen de goudplevier en de krakeend bescherming genieten. Bunzing en hermelijn worden eindelijk als onschuldig erkend en beschermd, maar op eigen erf mogen ze straks nog steeds worden gedood. Ook de hazenjacht blijft bestaan, ook al staat het aantal geschoten hazen in geen enkele verhouding tot de geleden schade en gaat de stand achteruit.

Op het congres werden uitgangspunten voor een goed faunabeleid aan de aanwezigen voorgelegd, namens de zes organiserende natuurbeschermingsorganisaties verwoord door oud-bestuurslid van Natuurmonumenten mr. A.J. Cnoop Koopmans. Om te beginnen het beschermingsbeginsel, hetgeen inhoudt dat alle in het wild levende dieren algehele bescherming moeten genieten. Bescherming tegen opzettelijk leed, tegen doden, verwonden, aanschieten, angst aanjagen, verstoren of gevangennemen. Dat betekent ook minder lawaai en verontrusting in de natuur.

"Ons mensen', aldus Cnoop Koopmans, "past bescheidenheid en respect tegenover de wilde fauna, hetzij op grond van goddelijk gebod en respect voor Gods schepping, hetzij wegens de autonome, onaantastbare schoonheid van wilde dieren waar wij niet aan kunnen tippen. We moeten trots en dankbaar zijn dat wilde dieren nog in ons land willen leven of er 's winters op bezoek komen. Ze moeten dat veilig kunnen doen, door ons beschermd in hun kwetsbaarheid. Als je ganzen en zwanen in de winter ziet, of herten en reeën in het bos, daar word je stil van. Het snijdt je door je hart als je ze als slachtoffers ziet vallen.'

"Aantalsregulatie moet in principe aan natuurlijke processen worden overgelaten, zoals je dat ziet tussen torenvalken en veldmuizen, tussen bosuilen en bosmuizen. Bij voedselschaarste lost het probleem van teveel dieren zich vanzelf op. En "gezondheidszorg' voor wilde dieren is niet nodig, we bekommeren ons toch ook niet over zieke kevers of zieke roodborstjes? En wie bepaalt eigenlijk wat te veel of te weinig is? Wanneer zeggen we dat er teveel roerdompen, eekhoorns of egels zijn? Of neem de zeevogels, die voor de Engelse kust bij tienduizenden schouder aan schouder op de eilanden zitten en een lawaai van jewelste maken, zijn dat er dan ook niet teveel?'

Bovendien zouden in het wild levende dieren niet, zoals in de huidige wetgeving, zaken van niemand (res nullius) moeten zijn. Cnoop Koopmans: ""Een illegale jager of stroper die een dier bemachtigt, wordt volgens de huidige wetgeving civielrechtelijk eigenaar van dat dier. Dat is te gek voor woorden! Het is niet meer in overeenstemming met de opvattingen in onze samenleving, die dieren niet gelijk stelt met dode, levenloze zaken, maar ze ook gevoelens, rechten en een rechtspositie toekent. Onze wilde dieren vormen een gemeenschapsbezit. Daarom draagt de overheid verantwoordelijkheid voor wat er met ze gebeurt.

Geen enkele grote of kleine belangengroep heeft de exclusieve rechten, ook niet de terreineigenaar. Er zijn naar schatting 35.000 jagers, terwijl uit enquêtes blijkt dat 73 procent van de bevolking bezwaren heeft tegen de jacht.

"Het uitleven van oerdriften wordt in onze samenleving niet meer acceptabel geacht, evenmin als het duelleren, de maagdenroof, honden- en hanengevechten, palingtrekken en katknuppelen. En het idee van oogsten uit de natuur, het wise use principe dat in jagerskringen opgang doet, dat is een noodklep voor ontwikkelingslanden. Bij ons behoeft en behoort dat geen toepassing te vinden.'

De secretaris van het landelijk bestuur van de Koninklijke Nederlandse Jagers Vereniging (KNJV), dhr. G.H.M. Alferink, laat desgevraagd weten dat de betekenis van de 500 wildbeheerseenheden in Nederland zijns inziens nogal wordt miskend. ""Jacht heeft immers eeuwenlang een bijdrage geleverd aan natuurbehoud in Nederland, wij zijn een zeer wildrijk land. En nu ineens wordt jacht gezien als een activiteit die inbreuk maakt op het bestaan van soorten. Ons wildbeheer is altijd gericht geweest op duurzaamheid, dat is puur eigenbelang van de jager.''

Het nieuwe idee van zelfregulatie van ecosystemen lijkt mooi, maar volgens Alferink zijn onze natuurgebieden te klein om zichzelf te reguleren. ""Die zogenaamde zelfregulatie is wel lekker goedkoop, maar er is nog niet bewezen dat het werkt. Bovendien moeten jagers de wildschade helpen bestrijden. En een jager jaagt natuurlijk in de eerste plaats omdat hij graag wildbraad op zijn bord heeft. Vergeet niet dat wij 85 procent van onze wildbraad nog steeds moeten importeren!''

In het nieuwerwetse idee van rechten en bescherming voor het individuele dier, zoals dierenbeschermers bepleiten, ziet Alferink niets. ""Ik heb die individuele kolgans ook wel graag op mijn bord.''