Bonden raken spoor bijster in NS-conflict

ROTTERDAM, 9 APRIL. De Vervoersbond FNV mag dan met 7.500 leden de grootste vakbond bij de Nederlandse Spoorwegen zijn, na de breuk van woensdagnacht hoeft er geen twijfel te bestaan over de vraag wie de sterkste is: de federatieve spoorwegvakvereniging FSV (6.500 leden) van de onverschrokken J. Kruse.

Aangemoedigd door een aantrekkelijke loonsverhoging van de NS, liet hij zijn strijdmakker-voor-twee-etmalen, W. Korteweg van de Vervoersbond FNV, vallen als een baksteen. Waren voor Kruse vóór de staking aparte regelingen voor aparte groepen NS'ers nog “volstrekt onbespreekbaar”, woensdagnacht gaf hij zijn fiat aan een "protocol' waarin de noodzaak van differentiatie in arbeidsvoorwaarden onomwonden wordt erkend. Geen wonder dat de FNV'er “zich belazerd” voelde.

Het “misselijke compromis”, zoals Korteweg het akkoord noemde dat NS met FSV en Vervoersbond CNV (2.600 leden) bereikte, plaatst de FNV-bond voor een verlammend dilemma. Het akkoord alsnog accepteren, komt neer op verloochening van de eisen waarvoor werd gestaakt. Het akkoord afwijzen is een tandeloos gebaar, want Korteweg beseft drommels goed dat zijn bond zonder steun van de FSV nauwelijks een vuist kan maken.

Het recente verleden spreekt wat dit betreft boekdelen. De FSV kreeg het spoor twee jaar geleden in haar eentje wel grotendeels plat toen Kruse als enige een loonbod van de NS te mager vond. Daarentegen zagen de vervoersbonden van FNV en CNV in september vorig jaar hun geplande acties bij het spoor tegen de kabinetsplannen voor Ziektewet en WAO bijna volledig mislukken.

Het CAO-overleg bij de NS biedt al jaren de fascinerende aanblik van botsende culturen. Niet alleen tussen de vakbonden en de NS-directie, maar ook tussen de bonden onderling. Getalsmatig zijn ze sterk. Meer dan 60 procent van de 27.000 NS'ers is vakbondslid, beduidend meer dan het landelijk gemiddelde dat onder de 25 procent ligt. Maar de animositeit is groot, vooral doordat de syndicalistisch georiënteerde FSV regelmatig voor verrassingen zorgt.

Als categorale bond concentreert de FSV zich op de behartiging van de (deel)belangen van het rijdend personeel (conducteurs en machinisten) en hun naaste collega's op de perrons. Daarentegen profileert de FNV-bond zich graag als "brede' vakorganisatie. Het kost de bond echter de grootste moeite bijbehorende thema's (milieu, werkgelegenheid, minderheden) voor het voetlicht te brengen. Vorig jaar kwam er in het hoog opgelopen conflict in de Rotterdamse haven (stukgoed en sjorders) niets van terecht, en dit jaar is het voor de tweede keer in successie niet gelukt arbeidstijdverkorting - op weg naar een vierdaagse werkweek - bij de NS een nieuwe impuls te geven. Dat is extra frustrerend voor een bond, die toch al niet vast op koers ligt na een ernstige bestuurscrisis (1990), toen ternauwernood een faillissement kon worden afgewend.

Net als in de haven vorig jaar, speelt in het huidige conflict bij de NS verzet tegen flexibeler werken een belangrijke rol. Dankzij hun stevige draagvlak hebben de bonden de NS in de loop der tijd opgezadeld met een extreem gedetailleerd netwerk van regels over dienstroosters, werk- en rusttijden. De NS willen dit harnas afwerpen, opdat het bedrijf slagvaardiger kan opereren in het Europa zonder grenzen en monopolies.

Als startpunt koos de NS-directie een nogal roekeloze aanval op de ATV-dagen van de werknemers bij het onderdeel Infrabeheer. Verlangd werd dat zij 12 ATV-dagen inleveren in ruil voor een half uur korter werken per dag. Dit werd later afgezwakt tot 6 ATV-dagen in ruil voor een kwartier per dag, maar toen was - vanuit NS-optiek - het kwaad al geschied: de bonden vormden één front tegen deze aantasting van "verworven rechten'.

En het moet gezegd, de NS hebben er alles aan gedaan deze tamelijk unieke eendracht tussen de bonden te versterken. Zo liet NS-hoofddirecteur drs. A.M. Messing vrijwel geen gelegenheid voorbijgaan te beklemtonen dat de plannen met Infrabeheer “slechts een hele kleine stap zijn op de weg die we nog moeten gaan”. Gevoegd bij de toch al niet geringe onderstroom van onvrede onder het NS-personeel - over stijl van leidinggeven, hoge werkdruk en slechte werksfeer - ontstond zo een breed draagvlak voor een hechte gelegenheidscoalitie.

Het is te simpel het verzet van de bonden tegen de voorgestelde flexibilisering af te doen als een achterhoedegevecht of “het berijden van door houtworm aangetaste stokpaarden”, zoals VNO-voorzitter Rinnooy Kan deed. Want er is weinig fantasie voor nodig te voorspellen welke kant deze ontwikkeling opgaat. Op differentiatie van arbeidsvoorwaarden volgt steevast - kijk naar de KLM, Philips en talrijke bedrijven - bezinning op kerntaken. Het vaste personeel dat daarvoor nodig is, wordt aan het bedrijf gebonden met aantrekkelijke arbeidsvoorwaarden, de rest wordt afgestoten, uitbesteed en indien nodig (bij onderhoud, storingen, calamiteiten) ingehuurd tegen doorgaans slechtere arbeidsvoorwaarden dan voordien.

De door groeistuipen geplaagde NS hebben de staking afgekocht met een flinke loonsverhoging en tijdelijk uitstel van de omstreden plannen. Het bedrijf verliest daarmee geld en kostbare tijd in de noodzakelijk geachte modernisering van de bedrijfsvoering. Dit verlies bestempelt de FSV en de Vervoersbond CNV echter allerminst tot winnaars. Het “poencontract” (Korteweg) waarmee zij gisteren goede sier maakten, prijst de NS straks des te eerder uit de vrije Europese markt en maakt flexibilisering des te urgenter.