Bijna

Ik wou met de trein naar Arnhem, maar de treinen reden niet en thuis stond ondertussen alles op z'n kop vanwege de dubbele beglazing. De gevels hingen open en werklieden timmerden er vrolijk op los. Tafels en stoelen zet je in zo'n geval aan de kant, maar waar laat je jezelf?

Toen ging ik naar de oude tiendweg onder Gouderak. In deze streek wordt het harde groen van weilanden gescheiden door bijna overdreven brede sloten. Ze werden heel aardig gerimpeld door de wind, die sloten.

De eerste koeien liepen buiten, de eerste kikkers plonsden van de kant en op een gegeven moment schoot me de mogelijkheid van de eerste zwaluw te binnen. Ja, het wachten is op zwaluwen. Ze zijn onderweg, dat staat vast.

Ik dacht: straks ga ik ergens zitten, ik doe mijn jas uit, rol mijn mouwen op en laat de zon op mijn armen schijnen. Het was net warm genoeg om zulke dingen te denken. En net te koud om ze te doen.

Ik zat bij een sluisje. Hoorde gekwaak in het riet. Keerde mijn gezicht naar de zon en genoot van het rood, dat dan opgloeit onder je oogleden.

Doezelde weg bij verre vogelgeluiden. Schrok op van de stem van een fietser. Tegen de hond: “O, dáár is het baasje!” En vervolgens tegen mij: “Ja, ik dacht al dat hij alleen liep.”

Keek hem na. Wou nog iets terugzeggen. Dat het een volmaakte dag was. In zijn soort.