ARTIKEL 141

W. Wedzinga. Openlijke Geweldpleging. Arnhem, Gouda Quint, 266 blz. Prijs ƒ 77,50. Promotie 26 maart 1992. RU Groningen. Promotor prof.mr. D.H. de Jong.

Hoewel het juist om het omgekeerde lijkt te gaan, is het strafrecht toch bij uitstek gebaseerd op de veronderstelling van de redelijkheid van het individu. Mensen zijn persoonlijk en individueel verantwoordelijk voor hun doen en laten en het strafrecht spreekt hen daar op aan bij een ernstige overschrijding van de grenzen die formeel en sociaal aan dit handelen gesteld zijn.

Voor het strafrecht is het dan ook geen probleem, wanneer een individu de regels overtreedt - daar leeft het strafrecht van - maar wanneer het individu bij gebrek aan redelijk inzicht niet op de overtreding kan worden aangesproken. Ontoerekeningsvatbaarheid is dan de strafrechtelijke oplossing die toepassing van het strafrecht uitsluit.

Op een vergelijkbare manier komt het strafrecht in de problemen als het om gedragingen gaat van een collectief, bijvoorbeeld van een demonstrerende menigte die met stenen gaat gooien of van een gezelschap voetbalsupporters dat een treinstel demonteert. Op een wat deftiger niveau kan men hier ook denken aan een uit de hand lopende ontgroening - zoals lang geleden de beruchte roetkapaffaire - of, dramatischer en voor iedereen zichtbaar, de treinkapingen in de jaren zeventig en de vele krakersrellen.

Aan collectieven als zodanig kunnen geen strafrechtelijke sancties worden opgelegd. Het hele streven in het strafrecht is er dan ook op gericht de schuldvraag zo snel en zo effectief mogelijk te individualiseren. Om veroordeeld te kunnen worden, moet overtuigend vaststaan dat een bepaalde persoon ook persoonlijk aansprakelijk kan worden gesteld voor een bepaalde strafrechtelijk relevante gedraging. In extreme gevallen kan het dan inderdaad gaan om de vraag of het van de honderd stenen die er gegooid zijn, toevallig juist "zijn' steen was die de commissaris van politie met een schedelbasisfractuur in het ziekenhuis deed belanden.

In artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht komt de spanning tussen collectief gebruik van geweld en individuele aansprakelijkheid heel mooi tot uitdrukking. Gestraft worden "zij die openlijk met verenigde krachten geweld plegen tegen personen of goederen' en extra zwaar wordt gestraft, wie "opzettelijk goederen vernielt' of "lichamelijk letsel' veroorzaakt. In de formulering valt niet alleen op, dat de wetgever wel de relevantie van het groepskarakter van de gebeurtenissen erkent, maar daarin toch geen aanleiding ziet de plegers individueel te ontzien. Integendeel zelfs, het feit dat er sprake is van een bijzondere situatie is geen verzachtende, maar juist een verzwarende omstandigheid. Wie "met verenigde krachten' geweld pleegt, wordt zwaarder gestraft dan wie dat in zijn eentje doet. Dat is te meer opmerkelijk, omdat het bij groepsgeweld in eerste instantie zelfs niet relevant is of er werkelijk schade ontstaat, dat levert alleen een verzwaring van de strafmaat op. Het is dus duidelijk dat de wetgever openlijke geweldpleging in commissie als iets bijzonders en ook nog als een bijzonder zwaar misdrijf ziet.

Iets vergelijkbaars is terug te vinden in artikel 140 Sr, dat het lidmaatschap van een criminele vereniging strafbaar stelt, ook al is het niet tot criminele gedragingen in de eigenlijke zin van het woord gekomen en is er ook geen sprake van schade voor derden.

"Openlijke geweldpleging met verenigde krachten' komt op zichzelf in Nederland niet eens zo vaak voor, maar naar zijn aard is het wel een delict dat plaatselijk of landelijk snel de pers haalt en door de soms lastige bewijsvoering ook nogal eens eindigt in een procedure bij de Hoge Raad. De geschiedenis van het groepsgeweld in Nederland wordt ook zichtbaar in de geschiedenis van de jurisprudentie bij de Hoge Raad: weinig uitspraken tot ongeveer 1970 (in de jaren vijftig zelfs geen enkele Hoge Raad uitspraak naar aanleiding van art. 141 zelf), daarna een snelle toename tot nu toe. De Nieuwmarktrellen, de Groningse krakersoorlog, uit de hand gelopen demonstraties, voetbalvandalisme, massale discotheek- en cafévechtpartijen behoren allemaal tot het toepassingsgebied van artikel 141 en als daar geen andere bepalingen voor waren, zou je ook de vaak tumultueus verlopende rechtszittingen naar aanleiding van artikel 141 tot het werkingsgebied van hetzelfde artikel kunnen rekenen.

Het bijzondere van artikel 141 is natuurlijk, dat het hier niet in eerste instantie om een misdrijf tegen personen of zaken gaat, maar om een misdrijf tegen de openbare orde, dat al heel gauw - zo niet onmiddellijk - uitloopt op aantasting van het openbaar gezag, meestal de politie.

De meeste misdrijven worden heimelijk gepleegd en de dader zal meestal ook zijn best doen om zich als een oppassende burger te presenteren (zodra daders dat niet meer echt nodig vinden, is dat een teken dat de sociale integratie van de samenleving aan het afbrokkelen is - er zijn tekenen dat dit nu het geval is), maar in artikel 141 gaat het nu juist om misdrijven die het van de openbaarheid moeten hebben of door hun openbaarheid een inbreuk op de openbare orde inhouden. Dat betekent niet, dat het meteen om een live uitgezonden rel op het Damrak hoeft te gaan, maar wel dat morrende monniken die op de binnenhof van een afgelegen klooster de abt te lijf gaan, in ieder geval van art. 141 niet veel te vrezen hebben. Dat zou wel het geval zijn als zij dat gedrag voor het paleis van de kardinaal zouden vertonen.

"Openlijk' betekent dus zowel "in een openbare ruimte' als in principe "voor iedereen zichtbaar', ook als er feitelijk niemand aanwezig is. Dit laatste vind ik wat minder gelukkig, omdat dit met het oog op de zwaarte van de strafmaat en de oorspronkelijke bedoeling van de wetgever een wel erg opgerekte interpretatie is van wat toch vooral als een "publieke vertoning van betekenis' gezien moet worden. Eenzelfde verruiming heeft zich ook voorgedaan met het begrip "verenigde krachten'. Als ik met mijn broer bij de Indonesische ambassade of bij Jan Pronk - ons besluitvormingsproces is nog niet afgerond - morgen de ruiten ga staan ingooien, voldoen we volgens de jurisprudentie aan de delictsomschrijving van artikel 141, hoewel de wetgever daar destijds toch duidelijk een "samenrottende menigte' bij dacht. Voor het baldadig ingooien van ruiten door volwassenen zijn bovendien andere wetsartikelen beschikbaar. De voorkeur voor artikel 141 heeft zeker te maken met de hoogte van de strafmaat (in dit geval maximaal een gevangenisstraf van zes jaar). Wicher Wedzinga vindt dat duidelijk niet erg gelukkig en het is niet moeilijk dat met hem eens te zijn.

Met "verenigde krachten' betekent overigens niet, dat men de krachten al voor de geweldpleging vereend hoeft te hebben of dat er aan het gebeuren een organisatie ten grondslag hoeft te liggen. In de redactie en interpretatie van het artikel is wel degelijk rekening gehouden met het massapsychologisch inzicht, dat het in een groep onverwacht kan gaan gisten en dat in een menigte emoties snel de overhand kunnen krijgen. Dat inculpeert het in de menigte opgaande individu echter niet. In artikel 141 is geen plaats voor de "massapsychose', die ontoerekeningsvatbaarheid zou impliceren. Begrijpelijk en verstandig, omdat anders onder het mom van meegesleept te zijn door wat er om je heen gebeurt, iedereen vrij zou zijn ongestraft de gruwelijkste dingen te doen.

Artikel 141 staat inmiddels alweer ruim een eeuw in het Wetboek van Strafrecht. Wedzinga noemt het een "hybridisch artikel', dat een beetje het midden houdt tussen de toen vergelijkbare bepalingen in de Franse Code Pénal en het Duitse Strafgesetzbuch. In zowel Frankrijk als Duitsland heeft men overigens al in de negentiende eeuw zeer geworsteld met een theoretisch en praktisch bevredigende redactie van de vergelijkbare artikelen. In beide landen is na de studentenopstanden van 1966 gepoogd de wet aan te scherpen, maar in Frankrijk heeft dat tot een afschaffing van de met artikel 141 vergelijkbare wet geleid. In Duitsland is er veel kritiek gekomen op een omschrijving, die in principe ook personen strafbaar stelt die zich niet zelf aan gewelddadigheden schuldig maken, maar wel op de plaats des onheils aanwezig waren. In het algemeen is men er toch erg beducht voor geworden "samenscholingen' (demonstraties bijv.) al te snel als vormen van "samenrotting' te beschouwen en in iedere volksoploop het begin van oproer en muiterij te zien. Een zekere rommeligheid is deel van de openbare orde geworden en het openbaar gezag handhaaft zich beter als het zich niet al te snel in zijn gezag aangetast voelt.

Wedzinga heeft niet veel behoefte aan een wijziging van artikel 141. Wel is hij er voorstander van de oorspronkelijke interpretatie van openlijk en met verenigde krachten plaatsvindende geweldpleging weer in ere te herstellen - het moet dus echt om een voor het publiek waarneembare vorm van groepsgeweld gaan. Daarnaast pleit hij ervoor maatregelen te kunnen nemen tegen mensen die onherkenbaar vermomd (de bivakmuts!) of duidelijk gewapend bij een demonstratie verschijnen, zoals hij ook vindt dat er moet kunnen worden opgetreden tegen mensen die ook na herhaaldelijk door het bevoegd gezag opgeroepen te zijn weg te gaan, toch blijven samenrotten. Van een collectieve aansprakelijkheid, tot uitdrukking komend in bijvoorbeeld de strafbaarheid van pure aanwezigheid, wil hij terecht niets weten.

Ook voor wie, zoals ik, geen jurist is, zijn juridische proefschriften soms erg boeiend om te lezen. Dat heeft zeker bij onderwerpen als dit te maken met het sociaal-reflectieve karakter ervan. Vooral in de wetsinterpretatie vinden veranderingen in de samenleving en in het rechtsgevoel heel mooi een afstandelijke en formele neerslag. In de jurisprudentie gaat het zeker niet om de waan van de dag, maar om een geleidelijke bijstelling en verdieping van juridische concepten met een vaak al lange geschiedenis. Het vaste kader van de wetten zelf en de sturende werking van de doctrine maakt het mogelijk dat in de jurisprudentie - bepaald door de "problems at hand' - de continuïteit in het juridische denken, hoewel op afstand, toch redelijk parallel blijft lopen aan de maatschappelijke ontwikkeling, deze ten dele zelfs zichtbaar maakt. Verrassend is daarbij dan altijd weer het vernuft waarmee de verschillende begrippen verfijnd en ten opzichte van elkaar genuanceerd worden. Toen ik ging studeren, werd rechten me ontraden als te saai. Ik ben er inmiddels wel achter, dat het een heel leuk vak kan zijn.