v.d. Broek: geen apart ministerie voor hulp

DEN HAAG, 8 APRIL. Minister Van den Broek (buitenlandse zaken) vindt dat buitenlands beleid en ontwikkelingssamenwerking onder verantwoordelijkheid van één bewindsman moeten komen. Dat betekent dat er geen aparte bewindsman meer nodig zou zijn voor ontwikkelingssamenwerking.

Van den Broek zei dat vandaag in de Eerste Kamer. Hij reageert daarmee instemmend op het pleidooi van CDA-senator Zijlstra, gisteren, voor politieke intregratie van Buitenlandse Zaken en Ontwikkelingssamenwerking.

Van den Broek komt tot zijn voorstel omdat hij meent dat er inzake de beleidsterreinen Ontwikkelingssamenwerking en Buitenlandse Zaken sprake is van een “groeiende wanverhouding” in de verschillende mogelijkheden tot een apart beleid. Een betere coördinatie zou die wanverhouding volgens hem “wat terug kunnen brengen”.

“Naast departementale integratie van Buitenlandse Zaken en Ontwikkelingssamenwerking is ook de vraag gerechtvaardigd of politieke integratie van deze beleidsterreinen gerechtvaardigd zou zijn”, aldus Van den Broek. Minister J. Pronk van ontwikkelingssamenwerking kreeg vorige week veel kritiek van de Tweede Kamer over zijn beleid ten aanzien van Indonesië.

Van den Broek zei wel dat hij zich realiseerde dat de suggestie van integratie een “gevaarlijke opmerking” is. De uiteindelijke beslissing over politieke integratie hoort thuis in de kabinetsformatie, erkende hij. Onlangs bepleitte NOVIB-voorzitter M. van den Berg in deze krant de samenvoeging van beide departementen.

De minister stemde ook in met de suggestie van PvdA-senator Baarveld-Schlaman om niet in alle gevallen de voortdurende wisseling van ambtenaren en diplomaten van Buitenlandse Zaken op de verschillende posten toe te passen. De standaardprocedure is dat ambtenaren en diplomaten om de drie à vier jaar van standplaats wisselen. De PvdA meent dat vooral in ontwikkelingslanden een langer verblijf van ambtenaren uit oogpunt van ervaring en continuïteit beter is.