Spectaculaire daling Nikkei treft vooral de banken hard; "Vroeg of laat stijgt-ie wel weer'

TOKIO, 8 APRIL. Bergbeklimmers kennen dat gevoel als ze onverwachts een metersdiepe val maken: ineens schiet de vraag door hun hoofd of het touw wel sterk genoeg is, of de bodem niet te hard is, of ze de smak wel zullen overleven. Vragen waarop ze zich grondig hadden voorbereid, maar waarop pas in de realiteit het antwoord moet blijken.

Zulke vragen moeten nu ook spoken door de hoofden van Japans monetaire kopstukken die de spectaculaire neergang van de beurs gadeslaan, zegt Andrew Ballingal, effectenmakelaar bij Barclays de Zoete Wedd. Hij vindt het beeld zeer somber en verwacht dan ook dat de Nikkei, die vandaag sloot op 17.175,53 yen, de laagste stand sinds november 1986, nog verder zal dalen, mogelijk tot 13.000.

Gezeten in hemdsmouwen op de vijftiende etage van een kantorencomplex in Otemachi, het bankendistict in hartje Tokio, analyseert hij in rap tempo de toestand. “Toen de Nikkei almaar steeg geloofde niemand dat die ooit nog zou dalen, nu die almaar daalt gelooft niemand dat die ooit nog zal stijgen. Maar ik weet één ding zeker. Vroeg of laat gaat die weer omhoog. Ik adviseer dan ook: nu kopen”, zegt hij breed grijnzend.

De financiële autoriteiten - het machtige ministerie van financiën en de Bank van Japan voorop - hebben volgens hem doelbewust op een koersval aangestuurd. “Ze wilden de financiële sector hier een lesje leren, zeg maar de banken en de effectenhuizen, die tijdens de bubble-economie dachten dat de bomen tot de hemel zouden groeien.” Dat spel hebben ze volgens hem hard gespeeld en het zijn dan ook vooral de banken die nu de volle laag krijgen. De bankfondsen dalen harder dan de Nikkei daalt, omdat ze met hun portefeuilles boordevol slechte leningen aan vooral onroerend-goedfirma's zienderogen het vertrouwen verliezen.

De meeste grote banken halen al niet eens meer de norm van de Bank voor Internationale Betalingen, de centrale bank der centrale banken in Bazel, die de Japanse banken voorschrijft dat ze in maart volgend jaar acht procent van hun uitstaande leningen moeten hebben gedekt met eigen kapitaal.

De financiële sector, de banken voorop, gevolgd door de onroerend-goedfirma's, de effectenhuizen, de zogeheten non-banken, slepen de rest van de beurs mee in hun val. Voor het eerst in de naoorlogse geschiedenis van Japan verkopen nu ook de met de banken verbonden ondernemingen - in de zogeheten keiretsu - bankaandelen.

Iets verderop, in Nihonbashi, staat het hoofdkantoor van de Industriële Bank van Japan, tot voor kort in de Westerse pers afgeschilderd als Japans machtigste bank, die nu de hardste klappen krijgt. Volgens Shu Tamaru, econoom bij de bank, komt dat doordat de IBJ een relatief groot beursfonds is. Hij legt uit dat de recente discontoverlaging (met 0,75 punt tot 3,75 procent) de banken nog weinig helpt. “De rentedaling verhoogt wel onze marges, maar niet op slechte leningen”, zegt hij. Het zal nog geruime tijd duren voordat de winstgevendheid van de banken verbetert. Japanse ondernemingen hebben (gerelateerd aan het BNP) veel meer schulden dan bijvoorbeeld Amerikaanse, ruim drie keer zo veel, maar ze beschikken wel over enorme deposito's, en daarmee lossen ze nu hun schulden af. Dat fenomeen verklaart volgens hem dan ook de forse teruggang in de investeringsplannen. “Elektronica-concerns als Sony en Matsushita zullen volgend jaar al betere resultaten kunnen laten zien, hun aandelen dalen dan ook nauwelijks, maar wij pas over een aantal jaren, dus dalen onze fondsen hard.” Hij verwacht dat banken die het echt slecht doen zullen worden overgenomen.

Of Japan sterker dan ooit tevoorschijn zal komen uit deze "recessie'? Bij de vorige twee is dat inderdaad gelukt, zegt Tamaru. Of dat nu weer zo zal zijn? Hij noemt één factor die zo'n voorspelling hachelijk maakt. “Voor het eerst in de naoorlogse geschiedenis is dit keer de financiële sector in het geding.”