Russisch repertoire het best vertolkt door Dmitri Hvorostovsky

Concert: Dmitri Hvorostovsky, bariton en Mikhail Arkadiev, piano. Programma: liederen en aria's van Händel, Scarlatti, Caldara, Caccini, Durante, Stradella, Carissimi, Gluck, Rossini, Bellini, Tsjaikovski, Rimsky Korsakov, Borodin en Rubinstein. Gehoord: 7/4 Grote Zaal Concertgebouw Amsterdam. Uitz.: 8/4 19.00 uur Avro Radio 4.

Sinds de Siberische bariton Dmitri Hvorostovsky in 1989 op een zangersconcours te Cardiff werd uitgeroepen tot "Singer of the Year' maakte hij, vooral dankzij enkele op verbluffend niveau gezongen Verdi-aria's, een carrière die het best wordt samengevat met "Hij kwam, zong en overwon'. De zelfverzekerde Hvorostovsky deed dat al heel snel in Amsterdam en later in vele wereldsteden. Hij maakte platen (o.a. samen met Jessye Norman van Cavalleria Rusticana) en hij zong zelfs een zwarige Russische romance in een van de eerste klassieke videoclips.

Gisteravond was Hvorostovsky opnieuw in Amsterdam en zong aan de piano een recital met liederen en aria's van veertien componisten uit vijf eeuwen. De lyrische maar vooral hoog-dramatische diepe baritonstem met het fraaie timbre bleek helaas veel te zwaar en log voor componisten als Scarlatti, Caldara, Caccini en Durante. Hvorostovsky demonstreerde hier met een veel te frequent forte telkens weer een overdadig vibrato waarvan het trillingsgetal op het lege podium vaak hinderlijke resonanties opriep.

Alleen de zeldzame keren dat Hvorostovsky wat terug ging naar een normaal mezzo-forte werd de stem strakker en straalde er iets door van kleur en emotie, zoals in Pièta, Signore van Stradella en in het Vittoria, mio core! van Carissimi, dat een beeldende, bijna gespeelde vertolking kreeg. In het slot van O del mio dolce ardor uit de opera Pardie ed Elena van Gluck klonk zelfs een gevoelige piano-noot.

Maar stilistisch was de uitvoering van al dit vroege repertoire meestal een ramp: de pianobegeleiding kan al helemaal niet en vrijwel alles klonk zoals Don Carlo van Verdi moet klinken. Een dieptepunt wat dat betreft was Amarilli van Caccini. De verworvenheden van het Festival Oude Muziek in Utrecht zijn kennelijk nog geen gemeengoed, daar achter de Oeral.

Hoe 19de-eeuwser, Verdiaanser en Russischer, des te overtuigender is de zangkunst van Hvorostovsky. In Ah per sempre io ti perdei uit Bellini's I Puritani ging het dus al wat beter, maar hier bleek de pianotranscriptie van de oorspronkelijke begeleiding nogal potsierlijk. Na de pauze, met alleen maar Russische liederen en aria's van Rimski Korsakov, Tsjaikovski, Borodin en Rubinstein, klonk Hvorostovsky veel authentieker. Maar het is ook repertoire dat ondanks de afwisseling van weemoed en pathetiek en de hier veel gevarieerder gebrachte expressie, lijdt aan een afmattende eenvormigheid.

Pas de laatste twee van de vier toegiften veroorzaakten bij mij vervoering: een a capella gezongen weemoedig volksliedje met eindelijk echt pianissimo en een aria uit Rachmaninovs Aleko, waarin Hvorostovsky de dramatische stiltes nog extra accentueerde met zijn gespannen, fascinerende présence.