Poppenhuis schatkamer van verleden; Jet Pijzel onderzoekt pronkpoppenhuizen van regentenvrouwen

Drie pronkpoppenhuizen in het Amsterdamse Rijksmuseum, uit de zeventiende en de achttiende eeuw, worden de komende twee jaar gerestaureerd en onderzocht. Een gesprek met de onderzoekster, de kunsthistorica Jet Pijzel over het cultuurhistorische belang van de poppenhuizen.

Op een onzalige nacht in 1831 werd in Vught een inbraak gepleegd in een zeventiende-eeuws poppenhuis. De dieven stalen een zilveren kroonluchter, vier zilveren spiegels en vijf armblakers. De keuken werd van haar minuscule mesjes, vorkjes en theeserviesje beroofd. De buit bestond verder uit een barnstenen koffertje met goudbeslag, ingelegd met ivoor, en een bijbel met zilveren sloten. Erg veel kan de kraak niet hebben opgeleverd, want de voorwerpen waren uitgevoerd op een schaal van 1:10.

Jammer is het wel, want juist dit poppenhuis dat Petronella de la Court rond 1670 in Amsterdam inrichtte, en dat nu in het Utrechtse Centraal Museum staat, is verder het best bewaarde en meest complete exemplaar uit zijn tijd. Uit de late zeventiende eeuw bestaat er in Nederland nog een ander poppenhuis (Rijksmuseum, Amsterdam), uit de achttiende eeuw nog vier (een in het Haags Gemeentemuseum, een in het Haarlemse Frans Halsmuseum, twee in het Rijksmuseum). Ze kwamen oorspronkelijk allemaal uit Amsterdam en werden ingericht door vermogende regentenvrouwen. Uit de archieven is bekend dat nog minstens drie andere dames poppenhuizen hebben bezeten, onder wie de dochter van Michiel de Ruyter. Deze huizen zijn verloren gegaan. Dat er zes zijn overgebleven is geen slechte score voor zoiets kwetsbaars als een poppenhuis, dat niet alleen bij kinderen maar ook bij volwassenen een onweerstaanbare drang tot aanraken oproept.

De schattigheid, benadrukt Jet Pijzel (40), kunsthistorica en gespecialiseerd in interieurgeschiedenis, is eerder een handicap dan een pré bij het behoud van de huizen. Sinds ze in deze en de vorige eeuw in musea terecht kwamen wil iedereen ze zien. In plaats van vroeger thuis, toen er deuren of gordijnen voor hingen, zijn ze nu constant blootgesteld aan dag- en kunstlicht en wordt er vaak tegen gestoten. Bij de binnenkort te beginnen restauratie van de huizen in het Rijksmuseum zal onder meer voor die problemen een oplossing moeten worden gezocht. Naast het hoognodige onderhoud aan de kasten en delen van de interieurs. Want voor de kennis van het wonen in het verleden zijn de poppenhuizen van onschatbare waarde.

De miniatuurkeukentjes, -kraamkamers en -salons bevatten tal van voorwerpen die in het groot niet bewaard zijn gebleven. Van sommige is niet eens meer bekend waarvoor ze dienden. Zo stond Pijzel voor raadsels bij de inventarisatie van de Utrechtse kleerzolder: ze trof er plankjes aan die eruit zagen als fraai gefiguurzaagde kaasplankjes, maar die na veel speurwerk kleerplakkers bleken te zijn, gebruikt bij het strijken. En in een van de Amsterdamse keukentjes bevindt zich een brede houten ring op poten zonder bodem en deksel, gemaakt als een ton, met duigen en een hoepel. Al dagen breekt ze zich het hoofd over de functie van dit rekje.

Maar ook de wel bekende voorwerpen zijn zelden in hun onderlinge samenhang bewaard. Nergens in Nederland vind je nog een zeventiende-eeuwse kraamkamer met origineel bedbehangsel, wandbespanning, lambrizering, vloerbedekking, plafondschildering, wieg, bakermat (een mand waarin de baker, voor het vuur gezeten, het kind inbakerde), porselein enzovoorts. Alleen al van het textiel van vóór 1700 is vrijwel niets bewaard gebleven. Weliswaar zijn op schilderijen vaak interieurs te zien, maar de realiteitswaarde daarvan is altijd onzeker.

Overigens zijn ook de oude poppenhuizen geen nabootsingen van de huizen van hun eigenaressen. Wel zijn ze ingericht zoals de woonhuizen van welgestelden er in hun tijd doorgaans uitzagen. Pijzel vermoedt echter dat ze nog meer betekenden dan slechts een verkleinde weergave van een herenhuis: “De poppenhuizen zijn kostbare kunstkabinetten, samengesteld met veel zorg en dure materialen: bedoeld om mee te pronken. Maar als ze indruk moesten maken, waarom zijn er dan zulke onbenullige ruimtes als kelders ingericht, al is het maar in een onderla? Drukten de eigenaressen soms een morele boodschap uit, en presenteerden ze het poppenhuis als het ideaalbeeld van een deugdzaam en ordelijk huishouden?” Waarom anders, vraagt ze zich af, wordt bijvoorbeeld in een van de Amsterdamse huizen een dood kindje getoond aan zijn broertjes en zusjes, in een kamer waar een schilderij hangt van Christus die de kinderen tot zich laat komen?

Het is een van de problemen die ze de komende twee jaar op wil lossen. Een ander is, waarom alleen vrouwen poppenhuizen inrichtten, en waarom ze tevens steeds via de vrouwelijke lijn vererfden. Heeft dat iets te maken met het feit dat ze de huishouding, de vrouwelijke levenssfeer weergaven?

Intrigerend is tenslotte ook de vraag waar alle poppen en meubeltjes vandaan kwamen. Van Sara Rothé, de originele eigenaresse van twee achttiende-eeuwse kasten, is een boekje bewaard waarin zij keurig noteerde hoe zij ze samenstelde. Zo weten we dat ze zelf graag borduurde, en menig miniatuurtafelkleedje en -vuurscherm in elkaar priegelde. Andere voorwerpen bestelde ze op maat.

Een deel van de inventaris, met name het zilverwerk, was echter kant-en-klaar verkrijgbaar. Al in de zeventiende eeuw waren er Amsterdamse zilversmeden die zich in miniatuurtjes specialiseerden, waarschijnlijk niet speciaal bedoeld voor poppenhuizen, maar wel als speelgoed. Van het aanwezige mandwerk echter, dat zeer fraai gevlochten is, is de herkomst onbekend. Het komt in alle poppenhuizen voor, net als sommige stoeltjes. Ook staan in meerdere huizen poppen met dezelfde karakteristieke wassen koppen, en zelfs met identieke Waterlandse kostuums. Kenden de bezitsters van de poppenhuizen elkaar en wisselden ze adressen van handwerkslieden uit? Archiefonderzoek kan hierover in de komende jaren mogelijk opheldering verschaffen.