Onderdak in plastic molshopen

KHARTOUM, 8 APRIL. Een wijde, winderige vlakte met bergjes half-opgeloste zandsteen is wat rest van de woonwijk Dar-es-Salaam/Moyo. Het beeld doet denken aan de schade aangericht in de woonwijken van de Soedanese hoofdstad Khartoum door de overstromingen in 1988. Toen hadden de natuurelementen de ramp veroorzaakt, nu zijn de Soedanese autoriteiten verantwoordelijk voor de vernietiging. Op enkele huizen in een aangrenzende wijk staan grote kruisen gekalkt: ook deze moeten weg.

Na het uitbreken in 1983 van de oorlog in Zuid-Soedan stroomden honderdduizenden ontheemden naar het noordelijke Khartoum. Eerder al waren tienduizenden Westsoedanezen naar de hoofdstad getrokken wegens de droogte. Verrassend snel en in redelijke harmonie met de plaatselijke stadsbevolking bouwde een meerderheid van de ontheemden een nieuw bestaan op. Huizen van ongebakken stenen en winkeltjes verrezen en sommige ontheemden vonden een baantje in de stad. Een aanzienlijke minderheid leefde in de marge, op vuilnisbelten en in plastic en kartonnen onderkomens.

De achtereenvolgende regimes hebben de 1,8 miljoen ontheemden goed in de gaten gehouden. De meesten zijn immers geen mede-moslims en zij sympathiseren met de zuidelijke guerrillabeweging, het SPLA. In de democratische periode onder premier Sadeqk el-Mahdi hadden de ontheemden nog politieke betekenis, ze vormden een rijk reservoir aan stemmen voor de politieke partijen. Voor de nieuwe machthebbers, die door middel van een militaire staatsgreep in 1989 aan de macht kwamen, vervullen de ontheemden geen nuttige functie. Een grootschalige campagne om honderdduizenden ontheemden te verhuizen naar plaatsen rondom Khartoum ging dan ook enkele maanden geleden van start.

In de vroege ochtend vlak voor Kerstmis arriveerde het leger met bulldozers in Dar-es-Salaam/Moyo. De bewoners verzetten zich, er braken gevechten uit en ongeveer tien ontheemden verloren het leven. Inmiddels zijn uit andere delen van de stad een geschatte 425.000 ontheemden op vrachtauto's geladen en afgeleverd in kampen in de omgeving van Khartoum. Vermoedelijk nog eens een miljoen zullen hen volgen. Velen springen onderweg van de vrachtwagens of ontvluchten de nieuwe kampen. Vlak bij het vernietigde Dar-es-Salaam/Moyo hebben deze mensen, inmiddels tienduizenden, een illegale nederzetting gevestigd. Woonden ze vroeger in redelijke huisjes, nu vinden ze onderdak in plastic molshopen.

“Een klap in het gezicht van de menselijkheid”, noemt een medewerker van de Verenigde Naties de verhuizingsoperatie. Want de verhuizing is onvrijwillig, in de nieuwe kampen ontbreekt het aan de belangrijkste voorzieningen en door de grote afstand naar het stadscentrum hebben vele ontheemden hun enige bron van inkomsten verloren. Buitenlandse hulporganisaties mogen niet zelfstandig aan het werk in de nieuwe kampen. Drie door fundamentalisten overgenomen islamitische Soedanese organisaties en de Soedanese Raad van Kerken kregen het monopolie op humanitair werk.

Veel Soedanezen voelden zich in vorige noodsituaties in Soedan gekrenkt door arrogant optreden, zonder respect voor plaatselijke wetten, van Westerse hulporganisaties. Het vijandige wereldbeeld van de moslim-fundamentalisten die nu aan de macht zijn verstoort de relaties tussen overheid en hulpinstellingen nog verder. “Buitenlandse hulpverleners worden geïntimideerd, gearresteerd, geschaduwd en hun telefoons worden afgeluisterd”, klaagt het hoofd van een grote hulporganisatie. Het aantal buitenlandse hulporganisaties in Soedan is teruggelopen van 85 in het droogtejaar 1985 naar 12. De hulpinstellingen staan buitenspel; woedend maar vrijwel machteloos reageren ze op de gedwongen volksverhuizing.

De hulpverleners willen geen van allen hun naam gedrukt zien in de krant. De enige buitenlander in Khartoum die openlijk durft te praten over het onderwerp is de Amerikaanse ambassadeur, James Cheek. “Het is een zeer acute en urgente humanitaire crisis van grote omvang”, zegt hij over de gedwongen volksverhuizing. “Door de onverwachte, snelle en gedwongen verplaatsing van deze vluchtelingen zitten we nu met honderdduizenden mensen in vrijwel onleefbare gebieden zonder fundamentele voorzieningen. Wij willen als eerste dat het programma wordt gestopt. En dat de regering met ons samenwerkt om zowel aan Soedanese als buitenlandse hulporganisaties toegang te verschaffen tot de nieuwe kampen zodat we deze vluchtelingen de voorzieningen kunnen verstrekken die ze hadden in de gebieden bij Khartoum waar de regering ze met geweld vandaan heeft gehaald.”

Het brein achter de operatie heet Sharaf Eldin Ibrahim Bannaga, minister van staat voor huisvesting. Als voorbereiding op ons gesprek heeft hij een lijvig rapport van de Wereldbank op zijn bureau gelegd. In deze studie worden suggesties gedaan om de problemen rondom milieu en grondbezit in het overvolle Khartoum op te lossen. Bannaga laat na te vermelden dat de Wereldbank-vertegenwoordiger in Khartoum, Alhay Deshpande, op geen enkele wijze de volksverhuizing steunt. “Wij beschermen het milieu, dat vormt de enige reden voor ons hervestigingsprogramma”, zegt Bannaga. “Jullie Westerlingen accepteren het toch ook niet wanneer krakers hun hutten op de Dam neerzetten? En wat doen jullie als ze niet willen vertrekken? Dan zet je geweld in. Ja, het doet pijn om huizen te vernietigen. Maar we moeten een voorbeeld stellen, opdat het nooit meer zal gebeuren.”

Terwijl hulpverleners praten over “erbarmelijke toestanden” in de nieuwe kampen vertelt Bannaga over ontheemden die nu feest vieren in de kampen. “We gaan ze binnenkort televisies geven”, deelt hij triomfantelijk mee. Volgens Bannaga vormt de felle kritiek op het hervestigingsprogramma onderdeel van een Westers komplot tegen het islamitische Soedan. “De Westerse landen willen deze regering in diskrediet brengen en daarvoor zoeken zij steeds weer nieuwe mogelijkheden. Zij hebben geprobeerd ons van terrorisme te beschuldigen. Zij hebben het geprobeerd met mensenrechten. En nu proberen zij het met de zaak van de ontheemden.”

Op hùn beurt beschuldigen hulpverleners de regering ervan uit politieke overwegingen de ontheemden te verwijderen. “Het milieu-aspect is kunstmatig”, zegt een Soedanese hulpverlener. “Bannaga vertelde het onlangs zelf aan een VN-vertegenwoordiger: "Het humanitaire aspect kan ons geen bal schelen.' Ambtenaren zeggen het zonder schaamte: "De concentratie van zuidelijke ontheemden is een politieke bedreiging voor dit regime, het zijn allemaal aanhangers van het SPLA'.”

In de nieuwe kampen winnen moslim-organisaties zieltjes voor hun geloof. Sommige ontheemden klagen alleen voedsel te ontvangen wanneer ze zeggen: La ilah ela Allah (er is slechts één God en dat is Allah). De Soedanese Raad van Kerken klaagt over officiële tegenwerking bij zijn activiteit in de kampen. “Op de lange termijn geloof ik dat het idee is om deze ontheemden te islamiseren. In twintig jaar tijd zal deze politiek hebben gewerkt”, aldus een Soedanese hulpverlener. Ruim 200.000 ontheemden geven in verband met de gedwongen volksverhuizing inmiddels te kennen te willen terugkeren naar Zuid-Soedan. Ook al heersen daar oorlog en honger.