Niet alle Britse stemmen worden gehoord

LONDEN, 8 APRIL. Hebben de Britten, met hun heftige voorkeur voor fairness, een kiesstelsel dat “eerlijk” is? De Liberale Democraten vinden van niet, Labour aarzelt. Of heeft John Major gelijk, als hij volhoudt dat het systeem van evenredige vertegenwoordiging leidt tot verwatering van de beloften aan de kiezer, tot koehandel tussen coalitiepartijen en uiteindelijk tot een zwak landsbestuur?

Morgen gaan in het Verenigd Koninkrijk zo'n 28 miljoen Britse kiezers in 651 kiesdistricten naar de stembus om het Lagerhuislid voor hun district te kiezen. Maar naar schatting negen miljoen kiezers, een kwart van het electoraat, blijven thuis. De politieke partijen zetten in deze nek-aan-nek-race tussen Labour en Conservatieven alles op alles om de thuisblijvers toch tot het uitbrengen van hun stem te bewegen. Maar de weerspannige kiesgerechtigden hebben hun redenen (desinteresse of niet geregistreerd willen staan om de poll tax te kunnen ontduiken) en één daarvan ligt in het Britse kiessysteem zelf.

Neem onze buurman, de tuinman, een Labouraanhanger. Hij is geïnteresseerd in politiek en toch is hij niet van plan naar het dorp te gaan om te stemmen. “Tijdverspilling en stemverspilling”, vindt hij. En hij heeft gelijk. Het kiesdistrict Sevenoaks is een van die geheid Conservatieve bolwerken in het zuid-oosten van Engeland, waarin de zittende MP, Mark Wolfson, in 1987 58,9 procent van de stemmen kreeg. De Liberale Democraten (toen nog: de Alliance) volgden met 27,9 en Labour met 13,2 procent.

Een Labourstemmer in dit district heeft in de campagne van de afgelopen weken alleen posters gezien voor Mark Wolfson, alleen nationale coryfeeën in het gezelschap van Mark Wolfson. Labour en de Liberale Democraten concentreren hun inspanning op zetels die ze denken te kunnen winnen. De eerste kans in de wijde omgeving die onze buurman de tuinman zou hebben, om zijn stem ook te laten tellen, zou zijn als hij verhuisde naar Dover, zo'n 80 kilometer hier vandaan. Daar scoorde Labour in 1987 34,1 procent tegenover de Tories 46. Een verlegging van stemmenvoorkeur van 6 procent van de kiezers in dit kiesdistrict (3000 stemmen) is dus genoeg om de Conservatieve MP te vervangen door een Labour-afgevaardigde.

Door het grootste van de Britse eilanden loopt een lijn, van zuidwest naar de oostkust van midden-Engeland, die het land globaal verdeelt in Tory-blauw en Labour-rood met daarin één grote (het zuidwesten) en verder veelal kleine gele oases voor de Liberale Democraten.

In de grote industriële stadsgebieden in het noorden hebben de Tories slechts drie van de 43 kiesdistricten. Ten zuiden van de lijn Bristol-Dover hebben Labouraanhangers niet één vertegenwoordiger. Het eerste-over-de-streep-systeem heeft een politieke en sociale verdeling in stand gehouden, rijk tegen arm, blauw tegen rood, werkgevers tegenover “de massa's” (i.e. de ongeschoolde arbeiders), die in werkelijkheid al lang is achterhaald. Het was "fair' in de jaren vijftig en zestig, met uitslagen waarin Conservatieven en Labour samen tussen de 89 en 97 procent van de uitgebrachte stemmen kregen. In de verkiezingen van 1992 is sprake van (gepeilde) percentages van minder dan 40 procent elk.

Het systeem werkt ook tegen het doorbreken van een nieuwe minderheidspartij als de Liberale Democraten. Die hebben verandering van het kiesstelsel daarom ook, ten eigen voordele, de absolute prioriteit in hun campagne gemaakt. De Liberale Democraten werden (als de Alliantie) in de verkiezingen van 1987 in meer dan 200 van de 650 kiesdistricten tweede, zonder dat er enige invloed op het landsbeleid tegenover stond. Hun 23 procent van het stemmenaandeel leverde 3,5 procent (i.e. 22) van de zetels op, Labour met 31,5 procent van de stemmen won 34 procent (i.e. 229) van de zetels en de Conservatieven deden hun voordeel met het feit dat de oppositie verdeeld was over twee partijen: 43,2 procent van de stemmen ging naar de Tories en leverde 375 zetels op. Tussentijdse verkiezingen hebben de afgelopen jaren in deze cijfers overigens kleine wijzigingen gebracht. Bij evenredige vertegenwoordiging zou de zetelverdeling zijn geweest: Tories 279, Labour 202, Liberale Democraten 149.

In tal van kiesdistricten heeft zich in de loop van de jaren een proces voltrokken van “verharding”: Tory-districten zijn méér Tory, Labourdistricten meer Labour geworden. Dat maakt het in deze verkiezingen moeilijker voor Labour om zetels van de Conservatieven af te pakken. Hun meerderheid in de meeste Conservatieve zetels is zo solide, dat nationaal een gemiddelde voorkeursverlegging (swing) van acht procent nodig zou zijn, om een absolute meerderheid te behalen in het parlement. Een swing van vier procent is voldoende om de Tories hun meerderheid te ontnemen.

De omvang van de voorkeursverlegging naar Labour bij deze verkiezingen, zal waarschijnlijk bepalen of die partij een pact sluit met de Liberale Democraten om wijziging van het kiesstelsel tot stand te brengen. Verdedigers van “eerste-over-de-streep” zeggen dat dan de traditie van “responsible government” overboord wordt gezet, waarbij de Britten wél zijn gevaren.