Jonge, gekozen regeringen van Latijns-Amerika leven in onvoorspelbare symbiose met militairen; "Peru stelt onze democratieën op de proef'; Economische voedingsbodem voor coup overal aanwezig

De "presidentiële staatsgreep' in Peru heeft in Latijns Amerika twijfel gezaaid over de vanzelfsprekendheid van de democratie als staatsvorm. Na de eeuw waarin Latijns Amerika voornamelijk werd geregeerd door militaire dictaturen, zijn sinds de jaren tachtig vrijwel overal gekozen regeringen aan de macht, maar de strijdkrachten zijn in al deze landen een politieke factor gebleven. De gebeurtenissen in Peru lijken, met twee andere incidenten, aan te tonen hoe onvoorspelbaar die factor is.

In september vorig jaar voerden militairen met succes een staatsgreep uit in de Caraïbische republiek Haïti, waarbij Jean-Bertrand Aristide, de eerste democratisch gekozen president het veld moest ruimen. Unanieme afwijzing door de wereldgemeenschap en een volledig handelsembargo ten spijt, lijkt de crisis nog nauwelijks naderbij gekomen.

En op 4 februari wist de Venezolaanse president Pérez ternauwernood een militaire staatsgreep af te wenden. Ook daar is de rust verre van weergekeerd. Pérez' positie is wankel en vanuit het leger komen dagelijks sterkere geruchten over een op handen zijnde nieuwe greep naar de macht.

Sommige analisten verklaren de Peruaanse "auto-coup' als een “wanhoopsdaad” die zou voortvloeien uit het rechtlijnige karakter van de “technocraat” en outsider Fujimori, die tijdens de anderhalf jaar van zijn presidentschap de traditionele sjoemelpraktijken van de Peruaanse politiek niet onder de knie kreeg, of wilde krijgen. Anderen zien een staatsgreep door het leger, waarvan de regie onzichtbaar is, omdat de president niet is verdwenen.

Fujimori zelf bestrijdt inmiddels in alle toonaarden dat zijn "paleis-coup' van afgelopen zondag - ontbinding van het Congres, huisarrest voor de oppositie, volmachten voor het leger in de strijd tegen de guerrilla-strijders van het Lichtend Pad - neerkomt op het vestigen van een militaire dictatuur. En weliswaar heeft hij in het gisteren gepresenteerde nieuwe kabinet minder militairen opgenomen dan werd verwacht, maar het lijdt geen twijfel dat het Peruaanse leger aan politieke macht flink heeft gewonnen. Anderen zien dat met argusogen aan.

“Onze democratieën maken een beslissende fase door”, zei de Salvadoraanse president Alfredo Cristiani maandag in een reactie. De christen-democraat Cristiani bereikte kortgeleden na jarenlange bemiddeling van de Verenigde Naties een vredesakkoord met de rebellen van het bevrijdingsfront Farabundo Marti. Dat voorzag onder meer in een vèrgaande inkrimping van de invloedrijke legermacht van El Salvador. Alle partijen voelen zich na twaalf jaar gewapende strijd echter nog zeer onwennig en hoewel grote incidenten tot nu toe zijn uitgebleven, blijft El Salvador brandgevaarlijk. “De gebeurtenissen in Peru stellen ons zwaar op de proef”, aldus Cristiani.

Ook de Argentijnse president Carlos Menem maakte door zijn vlugge en ongezouten reactie - “het is een klassieke Latijns-Amerikaanse coup en een grote stommiteit” - duidelijk dat Fujimori's manoeuvre emoties loswoelt. In Argentinië kon zoiets nooit gebeuren; voegde hij er zelfverzekerd aan toe; “als er één stabiel land in Latijns Amerika is, dan is het wel Argentinië”.

De macht van de militairen in Argentinië is na het junta-bewind van 1976 tot 1983 fors beperkt. Toch is Menem niet zo onverstandig ze als machtsfactor uit te vlakken. Een ultrarechtse vleugel binnen het leger is - onder aanvoering van de glamoureuze kolonel Aldo Rico - in toenemende mate politiek actief. Een recente opiniepeiling gaf Rico een reële kans wanneer hij een gooi naar het presidentschap zou doen. Het grensgeschil met Chili over de toegang tot het Beagle-kanaal in het uiterste zuiden van het continent is weliswaar gesust, maar de Laguna del Desierto in het Andesgebergte is nog steeds een rijpe twistappel. Hoe licht territoriale geschillen uit de hand kunnen lopen heeft de oorlog om de Falklands/Malvinas wel geleerd.

Invloed en politieke betrokkenheid van de strijdkrachten verschillen in Latijns Amerika van land tot land. Uit de gebeurtenissen in Haïti, Venezuela en Peru blijkt bovendien dat de betrokken (delen van de) strijdkrachten er verschillende motieven op na houden. De Haïtiaanse militairen die de radicale priester Aristide afzetten leken eerder hun belangen in de smokkelhandel te dienen dan een politiek programma. De Venezolaanse muiters leken dat wel te doen: zij wezen allereerst de economische politiek van president Pérez af, die macro-economisch leidt tot goede resultaten, maar tot armoede en werkeloosheid aan de onderkant van de samenleving. Daarmee konden zij rekenen op veel sympathie.

In Peru, waar de militaire investeringen relatief tot de allerhoogste van het continent behoren, heerst een bijzonder krachtenveld van economische chaos, de guerrilla met de senderistas die een "Catch-22' is geworden en de coca-teelt, die zowel de samenleving corrumpeert als individuele militairen verrijkt.

Hoe verschillend Haïti, Venezuela en Peru ook mogen zijn, het economische motief is steeds aanwezig.

Volgens recente cijfers van de Wereldbank is het merendeel van de 440 miljoen inwoners van Latijns Amerika er vandaag slechter aan toe dan tien jaar geleden. Meer dan 160 miljoen van hen leven in absolute armoede, een aantal dat dagelijks groeit. Politieke waarnemers en onderzoekers menen dan ook dat ook in andere Latijns-Amerikaanse landen dezelfde voedingsbodem bestaat die leidde tot militair ingrijpen in Peru en Venezuela. Zij wijzen allereerst op Bolivia, dat tot op zekere hoogte vergelijkbaar is met Peru, maar ook op Midden-Amerikaanse landen als Nicaragua en Guatemala.

En ook in de landen die moeten doorgaan voor relatief stabiel - Uruguay, Paraguay en Colombia op de eerste plaats en, in mindere mate, Argentinië en Brazilië - heeft de door Wereldbank en Internationaal Monetair Fonds gesanctioneerde politiek van liberalisering en privatisering in sociaal-economisch opzicht voor grote onvrede gezorgd.

Ook daar rommelt het af en toe. De presidenten van Brazilië en Argentinië hebben een dezelfde moeizame verhouding met de volksvertegenwoordiging en hebben eveneens te kampen met de wijdverbreide corruptie die Fujimori het motief gaf. In Chili, met zijn relatief gezonde economie, ontbreekt een dergelijk motief, maar ook daar leeft de democratisch gekozen regering van president Aylwin in een moeizame symbiose met generaal Pinochet.