Indonesië in de ban van smeergeld-erfenis; Oliemaatschappij Pertamina en familie van overleden topman vechten om miljoenen op bank in Singapore

SINGAPORE/ JAKARTA, 8 APRIL. Voor het High Court van Singapore hielden eiser en gedaagde vorige week hun slotpleidooien; voor het einde van de maand zal de rechter vonnis wijzen. Dan komt een einde aan het al twaalf jaar slepende, geruchtmakende proces om de nalatenschap van Haj Achmad Thaher, in leven de tweede man van de Indonesische staatsoliemaatschappij Pertamina. Inzet van deze curieuze rechtszaak is de vraag wie er recht kan laten gelden op smeergelden: de tussenpersoon of het bedrijf waar hij voor werkt.

Het proces heeft bovendien de aandacht gevestigd op de enorme bedragen die Indonesische privé-personen hebben ondergebracht bij het bankwezen van buurland Singapore. Volgens een Indonesische financiële deskundige loopt de kapitaalvlucht naar Singapore in de tientallen miljarden guldens en overschrijdt zij 's lands buitenlandse schuld.

Toen Haji Achmad Thaher, destijds na luitenant-generaal Ibnu SSmutowo de nummer twee van Pertamina, in juli 1976 aan een hartaanval overleed, liet hij 53 miljoen D-Mark en 1,2 miljoen dollar na in deposito's bij de Sumitomo Bank in Singapore. De rekening is na 16 jaar opgelopen tot 82 miljoen dollar en wordt nu betwist door Pertamina, Thahers tweede vrouw en de twee zoons uit zijn eerste huwelijk. Gezien de strijdige aanspraken besloot Bank Sumitomo destijds om de rekening te blokkeren in afwachting van een gerechtelijke uitspraak.

De advocaat van Pertamina onthulde onlangs de herkomst van de Thaher-miljoenen. In het najaar van 1977 stelde een Indonesische staatscommissie onder leiding van generaal Benny Moerdani - tegenwoordig minister van defensie - een onderzoek in naar de nalatenschap van Thaher. Moerdani bracht daartoe enkele bezoeken aan Zwitserland. Daar had hij een ontmoeting met Thahers tweede vrouw, madame Tan Kiem Giok, alias Kartika Ratna Thaher.

In Zwitserland zou Kartika tegenover Moerdani hebben toegegeven dat het geld op de bankrekening commissie- en smeergelden betrof, die destijds aan Thaher waren betaald door twee grote Duitse aannemers, Siemens en Klockner, met de bedoeling in aanmerking te komen voor Pertamina-contracten. Moerdani kwam vorige maand zelf naar Singapore om dit verhaal voor de rechtbank te bevestigen. Het was de eerste keer dat een Indonesische minister in een rechtszaak als getuige optrad.

Pertamina maakt nu aanspraak op de Thaher-deposito's, omdat Thaher het geld in naam van het bedrijf zou hebben ontvangen en de rekening zou hebben geopend als Pertamina-agent. Volgens mevrouw Thaher is de bewuste rekening in 1974 geopend bij Sumitomo op naam van haar en haar man. Pertamina bestrijdt echter de wettigheid van overschrijving van de fondsen op naam van privé-personen. Pertamina beweert dat Thaher zich het geld, dat zou toebehoren aan de onderneming, "wederrechtelijk en corrupt' had toegeëigend.

Mevrouw Thaher bestrijdt dit en beweert dat haar echtgenoot het recht had om zijn "kleine salaris van 9.000 dollar per jaar aan te vullen met vergoedingen die hij op persoonlijke titel verwierf'. Hij zou bovendien hebben gehandeld in opdracht van de toenmalige topman van Pertamina, generaal Sutowo, die van de betaling op de hoogte zou zijn geweest. Sutowo, inmiddels generaal buiten dienst en voorzitter van het Indonesische Rode Kruis, weigert overigens te getuigen voor het High Court in Singapore, ondanks ferm aandringen van Pertamina's advocaten, die zijn afwijzing schadelijk vonden voor hun zaak.

Ingewijden betwijfelen of de rechter Pertamina in het gelijk zal stellen. Men verwacht een min of meer "politieke' uitspraak, die Singapore moet vrijwaren voor andere soortgelijke aanspraken. Thaher was namelijk niet de enige Indonesiër die zijn (bij)verdiensten onderbracht in Singapore.

Volgens financieel adviseur Christianto Wibisono hebben Indonesische ondernemingen en privé-personen maar liefst 26 miljard dollar aan deposito's uitstaan in de banken van het naburige eilandstaatje. Samen met de Indonesische bankgelden in Singapore zou het Indonesische offshore-kapitaal in Singapore 50 miljard dollar bedragen. Ter vergelijking: de Indonesische buitenlandse schuld bedraagt 45 miljard dollar. Christianto zegt dit cijfer te ontlenen aan een recente studie van het Singaporese filiaal van het Amerikaanse organisatiebureau A.T Kearney, waarin staat dat 41 procent, verreweg het grootste deel, van de 63,5 miljard dollar tegoeden aan Asian Currency Units (ACU's) van niet-bancaire klanten in Singaporese banken eigendom is van Indonesiërs.

Christianto's mededeling was voor Alberson Sihalolo, parlementslid voor de niet-regerende Democratische Partij van Indonesië (PDI), aanleiding om bij de regering aan te dringen op een onderzoek naar deze vorm van "kapitaalvlucht'. De regering zou de namen van de eigenaars bekend moeten maken. De parlementariër verweet hen "gebrek aan vaderlandsliefde'.

Een woordvoerder van het ministerie van financiën liet weten dat “de regering ernstig betwijfelt of de waarde van de in Singapore ondergebrachte middelen zo hoog is en geen aanleiding ziet om een onderzoek in te stellen”. Minister Sumarlin wilde geen commentaar geven op het Kearney-rapport, maar gaf te kennen dat de pers voorzichtig dient om te gaan met het genoemde cijfer. “De omvang en oorsprong van deze fondsen houden verband met het bankgeheim, alleen de monetaire autoriteiten van Singapore kunnen hierover opening van zaken geven.” Indonesië houdt vast aan zijn vrije deviezenverkeer als een vitaal onderdeel van zijn beleid om buitenlandse investeerders aan te trekken. Dit vrije regime heeft in het verleden massale kapitaalvlucht mogelijk gemaakt in tijden van economische crisis, waardoor de monetaire situatie nog verder verslechterde.

A.T. Kearney's vice-president Alberto Lapuz ontkende in een verklaring dat het overwegend Indonesische eigendom van de ACU's in Singapore "kapitaalvlucht' betekent, aangezien eenzelfde bedrag aan ACU's als het land verlaat in de vorm van leningen zou terugvloeien naar Indonesië. Hij noemde het een normale zaak dat een land een deel van zijn vermogen buiten zijn grenzen parkeert en zei dat de omvang van de Indonesische ACU-fondsen “in verhouding staat tot de grootte van 's lands economie”.

Oorzaken van de Indonesische kapitaalvlucht zijn de hoge inflatie van 9 procent (in Singapore slechts 3,4 procent) en de instabiliteit in het Indonesische bankwezen, die het gevolg is van de recente stormachtige groei in deze branche. Sinds de liberalisering van de kapitaalmarkt in 1988 is het aantal banken meer dan verdubbeld en brak een keiharde concurrentieslag uit om de gunst van de spaarders. Dat leidde weer tot liquiditeitsproblemen en een aantal faillissementen.