Grote zwakte maakt PLO-leider aantrekkelijker dan ooit; Westen kan Arafat absoluut niet missen

Het was geen toeval dat Amerika, Engeland, Frankrijk en Italië door de PLO om hulp werden gesmeekt bij de zoektocht naar het verdwenen vliegtuig van Yasser Arafat. Evenmin was het verwonderlijk dat president Bush onmiddellijk op het verzoek uit Tunis inging en dat een Amerikaanse satelliet het verdwenen vliegtuig van de PLO-leider opspoorde. Want sinds jaren is de taboe-figuur Arafat politiek onmisbaar voor datzelfde Westen, ondanks al zijn geschreeuw tegen het Westen - het laatst nog vrijdag, toen hij kolonel Gaddafi van Libië “de steun aanbood van de PLO en het hele Palestijnse volk” in diens strijd tegen de dreigende sancties van de Veiligheidsraad van de VN.

Arafats politieke onmisbaarheid bleek al in 1982 na de Israelische invasie in Libanon, toen de Amerikanen hun uiterste best deden de PLO-leider en zijn manschappen ongedeerd uit Beiroet naar een ander Arabisch land te verhuizen. Een jaar deed zich hetzelfde voor toen de Franse marine zich over Arafat ontfermde en hem een beschermend geleide over zee uit de Libanese havenstad Tripoli aanbood, zijn laatste bolwerk in Libanon, waaruit hij met geweld door Syrië werd verdreven.

Meer dan ooit is de 62-jarige Arafat thans onmisbaar. Want als hij nu was weg- of met zijn vliegtuig neergevallen, was zijn dood buitengewoon ontijdig geweest. Zoals past bij leiders van zijn kaliber, heeft hij namelijk geen natuurlijke opvolger. Zijn twee belangrijkste adjuncten, Abu Jihad en Abu Iyad, respectievelijk door Israel in april 1988 en door de Palestijnse terroristengroep van Abu Nidal in januari vorig jaar vermoord, werden nooit door Arafat vervangen. En het ziet er op dit moment niet naar uit dat er in de PLO iemand in staat is de beweging, die toch al door ernstige interne conflicten wordt verscheurd, bijeen te houden. Zonder Arafat zouden de Palestijnse vertegenwoordigers naar het vredesoverleg met Israel in de grootst mogelijke problemen komen, omdat zij uiteindelijk hun legitimiteit ontlenen aan de zegen die Arafat hun zeer zichtbaar op de achtergrond geeft.

Wat Arafat thans meer dan ooit zo verleidelijk maakt, is zijn grote zwakte. Sinds de twee steunpilaren van zijn macht - het Sovjet-blok en de Arabische Golfstaten - hem zijn ontvallen, kan Arafat geen kant meer op, behalve richting Westen. Het uiteengespatte vroegere Sovjet-blok wil alleen nog maar lief gevonden worden door het Westen en de Arabische Golfstaten willen alleen maar wraak op het huidige PLO-leiderschap, na de politieke steun die de PLO tijdens de Golfoorlog aan de Iraakse leider Saddam Hussein gaf.

Hoe verzwakt Arafat is - zowel binnen de bezette gebieden, als binnen zijn eigen organisatie Al Fatah - bleek twee weken geleden tijdens een zitting van het mini-parlement van de PLO, de Palestijnse Centrale Raad. Hani el-Hassan en Khaled al-Hassan, die met hem in 1965 Al Fatah oprichtten en die al anderhalf jaar geleden tekenen van opstand hadden vertoond, beschuldigden Arafat nu van “politieke miscalculaties” tijdens de Golfcrisis rond Koeweit. Zo had hij onder andere geweigerd “te luisteren naar ervaren, oude kameraden binnen Al Fatah en in plaats daarvan zich omringd met adviseurs uit andere PLO-facties, waardoor de controle van Al Fatah over de PLO was verzwakt”.

De gebroeders Al-Hassan stelden in hun memorandum van tien pagina's dat Arafat “de PLO, de Palestijnse zaak en het Palestijnse volk in een catastrofe heeft gestort”. Zij omschreven de eens zo vereerde PLO-leider als een “kortzichtige totalitaire leider” en zij eisten dat hij “onmiddellijk zijn absolute controle over de financiële en orgorische kwesties van de PLO zou overdragen aan de andere leden van het Uitvoerend Comité (het dagelijks bestuur)”.

Ernstiger beschuldigingen waren nauwelijks mogelijk. Ze konden ook niet worden afgedaan als aanvallen van alleen maar de Al-Hassans. Want op de bijeenkomst van het Militaire Comité werd Arafat met vragen bestookt welke toekomst de strijders nog hadden. Eén van de 90 deelnemers vroeg zelfs: “Wat gebeurt met de PLO, als u, Abu Ammar, sterft, wat God verhoede. Waar zullen wij het geld vandaan krijgen?” Het was een nauwelijks verholen verwijzing naar de vele honderden miljoen dollar, die Arafat namens de PLO in eigen beheer heeft en waaraan hij zoveel macht ontleent.

Voordien al had de adjunct-hoofdredacteur van de Palestijnse krant al-Fajr in Oost-Jeruzalem een ongekend hevige aanval gelanceerd op de corruptie binnen de PLO-gelederen en PLO-functionarissen in het buitenland ervan beschuldigd dat zij zich op kosten van het Palestijnse volk verrijkten.

Die corruptie was er altijd al. Maar omdat de PLO over zoveel fondsen uit de Arabische Golfstaten beschikte en elke keer bij de Palestijnse bevolking de hoop weer opleefde dat er verbetering in haar situatie zou komen, werd die corruptie voornamelijk in besloten kring aan de kaak gesteld. In 1987 werd de woede over “de PLO-villa's en -mercedessen” in de door Israel bezette gebieden zó groot, dat zij bij het uitbreken van de intifadah massaal en publiekelijk werd verwoord. Toen de PLO er daarna in slaagde de intifadah onder eigen beheer te krijgen, verstomden de kritische geluiden. Maar nu de hoop vrijwel verdwenen is dat de intifadah en het vredesproces met Israel tot snelle resultaten zullen leiden, komt het gevestigde leiderschap van de PLO in de bezette gebieden weer toenemend onder vuur.

De malaise is ook doorgedrongen binnen het tot dusver beschutte hoofdkwartier van de PLO in Tunis. Arafat heeft het jaarlijkse PLO-budget van 200 miljoen dollar met 35 procent ingekort, omdat de organisatie de zes miljoen dollar die de Golfstaten maandelijks bijdroegen, niet langer ontvangt en de uitgaven steeds groter worden, met name voor de uit Koeweit gezette Palestijnen.

De eens zo rijke PLO moet thans zien rond te komen van de opbrengsten van de twee miljard dollar die over de hele wereld zijn geïnvesteerd. Maar die opbrengsten zijn onvoldoende om het apparaat in stand te houden. De 114 PLO- vertegenwoordigingen in het buitenland zijn dan ook verminderd tot ver beneden de honderd en vele PLO-publikaties zijn gestopt. Volgens Ahmed Abdul Rahman, hoofd van de afdeling propaganda en voorlichting van de PLO, had hij vorig jaar nog een budget van 200.000 dollar per maand en heeft hij nu helemaal geen cent meer en dus ook niets meer te doen. De circa tweeduizend PLO-functionarissen in Tunis worden nog wel doorbetaald, maar het merendeel werkt niet langer.

Onder die problematische omstandigheden is het niet verwonderlijk dat het door Arafat gesloten en geheim gehouden huwelijk met zijn 34 jaar jongere, christelijke secretaresse Suha Tawil bij lang niet alle Palestijnen goed viel. Zij zagen er een bevestiging in dat de PLO-leider inderdaad niet langer “met Palestina is getrouwd”, zoals hij jarenlang zelf had gezegd, maar in feite de strijd heeft opgegeven.

Niets is hoopvoller dan met zo'n machteloze gesprekspartner zaken over oorlog en vrede te mogen doen.