Goede dood

Het aantal doden blijft, alle medische wonderen ten spijt, hardnekkig gelijke tred houden met het aantal mensen. Geen zaak zo eenvoudig en alledaags als de dood. Toch is hij ook elks allerindividueelste schrikbeeld. De ene keer malicieus verlokkend, de andere keer onaanvaardbaar, op elk moment tot het verwekken van kippevel capabel. De dood is een unieke banaliteit.

Ons altijd trouw en zelden vertrouwd.

Op hoeveel manieren kan de machine niet onklaar worden! Ergens breekt een draadje, knapt een blaas, slibt een opening dicht, en heel het radarwerk ligt stil. Ons bewustzijn en de in ons op de loer liggende dood - waar? en wanneer? - zijn ongemakkelijke partners. Vooral als we niet schoksgewijs maar, wat in de meeste gevallen gebeurt, op een trage manier doodgaan, met een steeds veelzijdiger collectie rimpels, kwalen, verdorringen en verkalkingen, kan ons bewustzijn wel eens te zwaar op de proef worden gesteld. Dan kunnen we wel eens tot de conclusie komen dat we, voor het gerechtshof van de dood, te lang in de getuigenbank hebben gezeten.

In het jaar dat ik veertig werd heb ik alle voorbereidingen getroffen om op elk door mij gewenst moment een einde aan mijn leven te kunnen maken.

Het kat en muisspel met denkbeeldige raderen en draadjes is op die leeftijd voorbij en het serieuze collectioneurschap begint.

Zonder het bewustzijn van de dood is het leven niets.

Zonder het bewustzijn van het leven is de dood niets.

Het is een daad van rechtvaardigheid om iemand te doden die het bewustzijn niet meer terug zal krijgen.

En wie bewust getuige is van zijn sterven, beschikt tenminste nog over het voordeel van zijn bewustzijn om te beslissen of hij het einde zal versnellen of niet.

Voilà, in enkele zinnen die een hele moraal-theologische bibliotheek overbodig maken, mijn oordeel over euthanasie.

Twijfelgevallen en vergissingen niet uitgesloten. Net zomin als bij de luchtvaart, de vriendschappen, de weervoorspelling en de zwangerschap.

De dood is mensenwerk.

Wat een regering of een politieke partij daarmee te maken heeft, het is me een raadsel.

Eeuwenlang hebben regeringen en met elkaar twistende facties erover kunnen doen om een morele reputatie op te bouwen dat ze er op uit waren broedermoord, auto-da-fe's, zuiveringen en veldslagen te vermijden. Daar is, op zijn zachtst gezegd, niet veel van terechtgekomen.

Ik geloof in een politicus die zijn mond opendoet over euthanasie zoals ik geloof in een slager in het bestuur van de dierenbescherming.

“Het kabinet schept ten onrechte ruimte voor levensbeëindiging bij wilsonbekwamen”, bazelde pas nog een kamerlid.

Wilson-bekwamen, hoorde ik eerst, hoewel ik wat politieke nieuwspraak aangaat toch behoorlijk jargonbekwaam ben. Een heel peloton Bekwamen in Wilson doemde voor me op. Er zijn ook nogal wat Wilsons, Angus, Colin, Emund, Harold, Woodrow. Maar dit terzijde.

De wils-onbekwamen dus, als pionnen in het politieke schijndebat.

De discussie tussen kabinet en oppositie over de euthanasie-wet heeft nog het meest weg van een discussie tussen twee ontblote heren op een naturistenstrand over de gevaarlijke gevolgen voor de volksgezondheid van gemengd zwemmen op zondag.

Waarin schuilt het geheim van hun discussie? Niet in hun politieke bekommernis om leven of dood. Het geheim schuilt, dunkt me, in de "meldingsprocedure' die het kabinet voorstaat, “omdat het er groot belang aan hecht”, aldus de krant, “dat alle gevallen van levensbeëindiging bekend worden en daardoor ook kunnen worden getoetst.”

Het belang van de melding en de toetsing. Het belang van de registratie. Het belang dat de politici het liefst alles van iedereen zouden willen weten. Het belang van hun godvergeten bemoeizucht.

Het hele euthanasie-debat houdt niet meer in dan het zich opgeilen aan een dwangvoorstelling die eigen is aan de erotiek van de macht.