Geen weemoed

“Misschien dat sommigen onder ons nog eens met weemoed zullen terugdenken aan de tijden waarin de Veiligheidsraad aangenaam werd verlamd door het vetorecht”, schrijven de rechtsgeleerden Menno Kamminga en Ko Swan Sik aan het einde van hun kritische beschouwing over het ultimatum aan Libië (NRC Handelsblad, 6 april). Op initiatief van de Verenigde Staten en Groot-Brittannië heeft de Veiligheidsraad besloten dat op 15 april economische maatregelen zullen worden genomen als de twee verdachten van de aanslag op het PanAm-vliegtuig dan nog niet ter berechting zijn uitgeleverd.

De strekking van het betoog der beide Nederlandse juristen is dat na de ondergang van de Sovjet-Unie en door China's economische afhankelijkheid van Washington, de Verenigde Naties feitelijk een instrument van de Amerikaanse buitenlandse politiek zijn geworden: dienstbaar aan de Pax Americana. “Of men dit een goede zaak vindt, hangt ervan af wat men denkt van de Amerikaanse militaire interventies in Grenada, Libië en Panama de afgelopen jaren”, schrijven ze.

Het is duidelijk dat het ultimatum een paar zwakheden vertoont. Libië is volgens het verdrag van Montreal niet tot uitlevering verplicht, mits het zelf een vervolging tegen de verdachten instelt, en 't is waar: kolonel Gaddafi kan de wereld nog verbazen door weldra een voorbeeldig openbaar proces tegen de twee van terrorisme verdachte heren toe te staan, na ook al te hebben toegestaan dat de Venezolaanse ambassade in Tripoli door spontane betogers is verwoest. Dat hier van "toestaan' moet worden gesproken, wijst er overigens al op dat men geneigd is bij de rechtsgang in Libië - misschien prematuur - een paar kritische kanttekeningen te plaatsen.

Niet ijzersterk is het ook dat Libië als enige land het mikpunt van de Veiligheidsraad is. Er bestaan stevige aanwijzingen voor de medeplichtigheid van Syrië en Iran. A.M.Rosenthal, columnist van The New York Times, citeert Steven Emerson, auteur van The Fall of Pan Am 103: “Inlichtingen waarvan de juistheid niet kan worden betwijfeld, bewijzen dat terroristen die hun basis in Syrië hebben en door dit land zijn betaald, in oktober 1988 talrijke aanslagen op Amerikaanse, Europese en Israelische vliegtuigen hebben georganiseerd”. Volgens Rosenthal, op gezag van Emerson, heeft Iran de kosten betaald. De Libiërs waren de uitvoerders. Consequenter, en meer bevredigend voor het rechtsgevoel was het geweest als de Veiligheidsraad Iran en Syrië niet zo zorgvuldig buiten beschouwing had gelaten.

Behalve juridische zijn er politieke kanten aan het ultimatum die de kritische vermogens activeren. Is het wel verstandig van de Amerikanen en Britten om onder formele protectie van de Veiligheidsraad nu zo'n ultimatieve actie tegen Libië te beginnen? Ze benadelen daarmee Egypte, hun beste bondgenoot in de Arabische wereld, en ze drijven datgene wat er nog van de coalitie uit de Golfoorlog over is, verder uit elkaar. Of geloven beide naties dat ze zich dit na het einde van de Koude Oorlog wel kunnen veroorloven? Vinden ze dat het de moeite waard is, met deze actie het risico te lopen dat Gaddafi zijn positie in de Arabische wereld versterkt? Baseren ze zich, met andere woorden, op de ervaring van 1986, toen na terrroristische aanslag in een Berlijnse dancing, een luchtaanval op Tripoli werd uitgevoerd, met als resultaat dat de kolonel zich geruime tijd koest hield? Dat had weinig met internationaal recht te maken; het was machtspolitiek die tot Lockerbie goed heeft gewerkt.

De laatste politieke vraag: in hoeverre zijn de Amerikaanse presidentsverkiezingen van invloed? Reagan heeft zich door de luchtaanval op Tripoli grote populariteit verworven. Hoopt Bush, hoewel minder spectaculair maar misschien meer in overeenstemming met de publieke opinie die geen oorlogen meer wil, zonder bloedvergieten, via de Verenigde Naties, een succes te halen dat hem in de campagne zal helpen? In de verkiezingstijd is niets onmogelijk.

Bij dit ultimatum valt dus een reeks van kanttekeningen te plaatsen. Het neemt niet weg dat we in Tripoli op straat twee heren tegen het lijf kunnen lopen die ervan worden verdacht de moord op tweehonderdzeventig onschuldigen op hun geweten te hebben. Gaddafi heeft ruim de tijd gehad beiden binnenslands te laten berechten of uit te leveren. Waarom heeft hij dat niet gedaan? Misschien omdat hij van zijn traineren en zijn tegenmaatregelen politieke winst verwacht in de radicale bestanddelen van de Arabische wereld. Behalve dat wordt er nog een oorzaak geopperd. Een voormalige Libische premier die nu in Kairo woont beweert dat de kolonel persoonlijk bij de aanslag betrokken is. “Hij zal die twee nooit uitleveren. Dat kan hij niet. Hij is bang. Hij weet dat er dan veel onthullingen zullen volgen.” (International Herald Tribune, 26 maart). Hier zou de Veiligheidsraad voor een bovenmenselijke taak staan: uitlevering van Gaddafi door Gaddafi zit er ook na de Koude Oorlog niet in, al zou het juridisch misschien verdedigbaar zijn.

De twee Nederlandse rechtsgeleerden hebben gelijk: Washington probeert de Verenigde Naties tot instrument van de Amerikaanse buitenlandse politiek te maken. Het onlangs uitlekte document van het Pentagon, Defence Planning Guidance, bevat daarvoor duidelijke aanwijzingen. Maar zouden de VN nu bereid zijn ook een Amerikaanse aanval op Panama of Grenada te legitimeren? Het einde van de Koude Oorlog heeft de wereld wel doen veranderen, maar er nog geen Amerikaanse schietsalon van gemaakt; en de internationale rechtsorde hoeft niet perse incongruent met de Pax Americana te zijn, evenmin als het gebruik van het vetorecht in de goeie ouwe tijd steeds in overeenstemming met de eisen van de rechtsorde is geweest. Men leze er de biografieën van Visjynski, Molotov en Gromyko op na. 't Is geen lectuur die uitnodigt tot weemoed.