Engelse vakbeweging staat stiekem achter Labour

De Engelsen gaan morgen naar de stembus. De vakbeweging zingt een toontje lager om het bevriende Labour niet voor de voeten te lopen.

Aan stemadvies - uit de hoofdartikelen van álle kranten bij voorbeeld - heeft het de kiezers in het Verenigd Koninkrijk al maanden niet ontbroken. Maar de 8,4 miljoen leden van de vakbonden die zijn aangesloten bij het Trade Union Congress (TUC) missen dit keer iets. Voor het eerst sinds mensenheugenis mogen zij bij de verkiezingen van morgen geheel naar eigen inzicht een kruisje zetten, omdat de TUC, ook voor het eerst, zijn hartelijke aanbeveling om toch vooral Labour te stemmen achterwege heeft gelaten.

De reden is niet dat de TUC zich van Labour heeft afgekeerd. De reden is juist dat de TUC hartstochtelijk hoopt dat Labour zal winnen. Om die reden hebben partij en vakbeweging besloten de onderlinge banden dit keer zo min mogelijk te accentueren. De suggestie dat Labour “in de zak van de bonden zit” zou, in de woorden van een TUC-official, als een “presentatie handicap” kunnen worden gezien.

Het is listig bedacht, maar de leiders van de Conservatieve verkiezingscampagne laten zich niet zo gemakkelijk om de tuin leiden. John Major, Michael Heseltine en vooral Michael Howard, de minister van werkgelegenheid, laten geen gelegenheid voorbij gaan om uit het Brits collectief bewustzijn de beelden op te roepen die de “winter of discontent” daarin heeft nagelaten. Zoals in Nederland de generatie van na de oorlog tot in de details wist na te vertellen, wat hun ouders onder de Duitsers hadden meegemaakt, zo is bij 18-jarigen die nu gaan stemmen de - overgeleverde - herinnering levendig aan doodgravers die niet wilden doodgraven, buschauffeurs die niet wilden chaufferen en voedseltransporten die geen levensmiddelen konden afleveren in de winkels.

Bijna dertig miljoen werkdagen gingen in 1979 verloren door stakingen, eenvierde van de bevolking was direct betrokken bij de acties. Dat spookbeeld, impliceren de Conservatieven steeds maar, komt terug zodra Neil Kinnock zijn voet over de drempel van Downing Street 10 heeft gezet. Al het werk van Margaret Thatcher, om de bonden eronder te krijgen, zal door Labour ongedaan worden gemaakt.

Het spookbeeld is niet gering en toch is het niet merkbaar aangeslagen bij de Britse kiezers. Niet omdat Neil Kinnock de belofte heeft gedaan dat er geen sprake zal zijn van een analogie met de periode Harold Wilson: geen bier en boterhammen in No. 10 voor vakbondsbazen die even de vereisten van het werkgelegenheidsbeleid komen doorspreken derhalve. Nee, de verklaring ligt eerder in het feit dat de vakbonden bij de Engelsen veel van hun impopulariteit hebben verloren, nu gebleken is dat ze hun macht kwijt zijn.

De Tories hebben hen de mogelijkheid ontnomen boven de wet te staan en naar eigen goeddunken het land plat te leggen. Vakbonden werden, op straffe van inbeslagname van hun inkomsten, verantwoordelijk voor stakingen van hun leden. Werkgevers kregen het recht van compensatie voor geleden schade, te betalen door de vakbonden. Solidariteitsacties werden uitgebannen. De bonden zelf werden gedwongen intern orde op zaken te stellen en hun beslissingen te democratiseren op grond van schriftelijke peiling van de leden, in plaats van bij handopsteking op de werkvloer.

De rol van de TUC was in de jaren tachtig zo goed als uitgespeeld. Minister Lawson bracht het pro forma-overleg - niet meer dan een beleefd praatgroepje - tussen overheid, werkgevers en vakbeweging in 1988 de doodsteek toe door te zeggen dat hij daaraan niet langer behoefte had. Norman Willis, de secretaris-generaal van de TUC, vertelde in die jaren treurig dat de regering hem nóóit meer eens iets vertelde en dat de minister van werkgelegenheid beleidswijzigingen invoerde om hem pas daarná, via een ambtenaar of schriftelijk, in te lichten. De macht van de vakbonden moest niet alleen gebroken, haar epigonen moesten kennelijk ook worden vernederd.

Pag 18: Britse vakbeweging wordt wakker

Tot aanvankelijke irritatie van de bonden, van oorsprong immers de rots waarop de arbeidende klasse haar emancipatie bevocht, nam een tot verkiesbare partij gestroomlijnd Labour de vakbondswetgeving uit de jaren tachtig vrijwel geheel over. Neil Kinnock wist dat hij moest vasthouden aan de ontwikkeling waarbij collectieve rechten vervangen werden door individuele rechten, waarbij de rechten van vakbonden de rechten van vakbondsleden werden.

Hij overtuigde de vakbondsbazen dat de praktijk van de zogenaamde blockvote (waarbij één vakbond naar eigen goeddunken stemt uit naam van honderdduizenden leden) op het congres van de Labour Party moet verdwijnen. Hij zette daarbij een beweging in gang die ertoe moet leiden dat de partij haar kracht haalt uit individuele leden (nu 300.000) en niet langer uit, alleen, de vakbondsleden. Voorlopig betalen de bonden nog negentig procent van de verkiezingscampagne van Labour en op de jaarlijkse conferentie hebben ze nog negentig procent van het stemrecht. Maar de bedrijfskosten van de partij komen sinds kort voor meer dan de helft uit niet-vakbondsbronnen ( commerciële activiteiten zijn onder andere Labour-creditcards en celebrity-diners met de leider voor 500 pond per deelnemer) en Tony Blair, de schaduw-minister voor werkgelegenheid, laat in de City geen gelegenheid voorbij gaan om te demonstreren dat hij de bonden op armlengte houdt.

Wat één vakbondsbaas noemde “het druppelsgewijs injecteren van haat uit Downing Street” - en mrs Thatchers uitdrukkelijke overtuiging dat “managers het recht hebben om te managen” - heeft ertoe geleid dat nieuw opgezette bedrijven in Groot-Brittannië in de jaren tachtig de bonden precies hun plaats konden wijzen. Niet langer was het de TUC die bepaalde welke vakbonden in welk bedrijf zouden organiseren. Investeerders uit het buitenland, vooral de Japanse auto-industrie, schreven de wet voor: óf ze eisten - vooraf - een verbod op stakingen, of strak geregelde arbitrage óf - in de dienstverlenende sector en in de electronische industrie - ze wilden helemaal niet met een vakbond te maken hebben. Werkoverleg in het bedrijf zelf was het maximum. Een Labourregering zou mogelijk maken dat de werknemers van een bedrijf niet voor een voldongen feit worden geplaatst, maar kunnen stemmen óf ze door een vakbond vertegenwoordigd willen worden, en zo ja, door welke.

Voor de vakbonden leverden de jaren tachtig dramatisch ledenverlies op: van de twaalf miljoen vakbondsleden aan het begin van de jaren Thatcher waren er in 1992 nog maar acht miljoen over. De TUC zelf, met haar budget van zeven miljoen pond, verkeert in financiële moeilijkheden. Alleen al de grootste vakbond, die voor ongeschoolde werkers, de Transport and General Workers Union (TGWU) verloor vorig jaar nog 100.000 leden. Dat verschijnsel van leegloop had voor een deel te maken met de teloorgang en de rationalisering van de industriële basis, maar de bonden hadden tegelijk moeite om nieuwe leden te vinden in de high-tech- en dienstverlenende industrieën die daarvoor in de plaats kwamen. Daar kwam nog bij dat de nieuwe werknemers in die laatste sector veelal part-time vrouwelijke employées zijn: moeilijker te organiseren.

Nood breekt wetten. Zo bedreigend is de afkalving van de macht van de bonden, dat de engineers (AEU) en de electricians (EETPU), die dit jaar exact 103 jaar lang over samengaan hebben gepraat zonder ooit hun rivaliteit te kunnen begraven, uiteindelijk de knoop hebben doorgehakt. Hun “monsterbond” zal één miljoen leden hebben, voldoende om een tegenwicht te vormen tegen wat Gavin Laird, de topman van de AEU, noemt “de groeiende macht van de multinationals”. De werkgevers zijn positief: het kunstmatige onderscheid tussen leden van de ene vakbond en leden van de andere vakbond binnen hetzelfde bedrijf werkte belemmerend op de produktiviteit. Nu wordt opleiding van werknemers voor meer dan één vaardigheid mogelijk. Een machtiger vuist van de nieuwe bond bij de onderhandelingen over lonen weegt daar wél tegenop.

De fusie tussen AEU en EETPU betekent het hek van de dam. Naar verwachting zullen andere bonden volgen tot er in het jaar 2000 nog maar vijf grote vakbonden over zullen zijn. Met de reorganisatie is ook het realiteitsbesef gegroeid. Dezelfde Gavin Laird spreekt over “een partnership tussen werknemer en werkgever, gebaseerd op gemeenschappelijk belang”. Dat is taal die uit de mond van vakbondsleider Jack Jones, in de jaren zeventig de machtigste man na de Britse premier, als buitenaards geklonken zou hebben.

Het nieuwe realisme in de opstelling van vakbondsbazen als Gavin Laird en Eric Hammond en Bill Jordan heeft alles te maken met Europa en de Europese integratie. Het was een meesterzet van Norman Willis, de secretaris-generaal van de TUC, om in 1988 de president van de Europese Commissie, Jacques Delors zelf, uit te nodigen om het jaarlijkse TUC-congres toe te spreken. Mrs Thatcher was woedend: het met veel publiciteit omgeven bezoek van Jacques Delors op háár terrein was letterlijk “socialisme via de achterdeur”. Maar de vakbondsbazen op het TUC-congres, gefrustreerd in hun vernedering en toenemende zwakte, gaven Delors een staande ovatie. Dat was het moment, zou Willis later zeggen, waarop de anti-Europese opstelling van de meeste toehoorders veranderde in een pro-Europese. Jacques Delors, met zijn visie van een geïntegreerd Europa, waarin werkers zouden worden geconsulteerd, waarin bedrijven schoon en veilig zouden zijn, waarin produktiviteit zou voortvloeien uit samenwerking tussen werkgever en werknemer, was de reddingsboei waarnaar velen in hun benauwenis dankbaar reikten.

“Inmiddels zien we de zaken meer in realistisch perspectief”, zegt Simon Wilson, beleidsmedewerker bij het TUC. “De visie dat Europese integratie een goede zaak was, alléén omdat mevrouw Thatcher ertegen was, hebben wij hier nooit aangemoedigd. De OECD noemt ons een land in economische neergang. Europa zal ons daarvan heus niet redden.”

De Britse uitzonderingsbepaling die John Major bij de Europese top in Maastricht wist te bedingen over de zogenaamde “sociale paragraaf”, heeft de Britse vakbeweging allerminst somber achtergelaten. Er is, bij de TUC, eerder sprake van een juichstemming over het feit dat hun intensief lobbyen bij de Europese regeringsleiders ervoor gezorgd heeft dat die voorbereid waren op een onverzoenlijk "nee' van John Major. “Er was die perceptie dat Major veel plooibaarder was dan Thatcher. Onze nachtmerrie was dat de elf regeringsleiders, onverwacht geconfronteerd met een hard "nee' van Major, de sociale paragraaf zouden aanpassen of intrekken. Nu dat niet is gebeurd, is de Britse positie op den duur hoe dan ook onhoudbaar, wie de verkiezingen ook wint. En als het Labour is, tekent de regering het akkoord onmiddellijk, sociale paragraaf en al. Hetzelfde geldt voor de Liberale Democraten”, aldus Wilson.

De "Europese dimensie' heeft de Britse vakbeweging in snel tempo wakker geschud. Isolationisme heeft zijn tijd gehad: Norman Willis presideert zelfs tijdelijk over de Europese vakbeweging. “Wij worden met de productiviteit elders in Europa om de oren geslagen” en “confrontatie als onderhandelingstactiek willen we niet meer” zijn de nieuwe leuzen, die daaruit voortvloeien.

“Er kan geen groep mensen buiten het kabinet zijn die werkelijk gelooft dat de toekomst van Groot Brittannië in de jaren negentig werkelijk beslist gaat worden door de argumenten van de jaren zeventig nog weer eens opnieuw van stal te halen”, zegt Labours minister van werkgelegenheid-in-spe, Tony Blair, waarschuwend. Labours belofte van invoering van een minimumloon (3.40 pond per uur) mag volgens de Tories zijn bedongen door de vakbeweging en 300.000 banen kosten (100.000 op termijn, zeggen onafhankelijke berekeningen), maar Labour verweert zich met verwijzing naar Europa en zegt dat die belofte alleen te maken heeft met “sociale gerechtigheid”.

“Wij willen dat Labour gaat winnen, zoals de CBI (Britse werkgevers) willen dat de Tories gaan winnen,” zegt Wilson. “Maar de banden tussen de vakbeweging en Labour zullen onherroepelijk gaan veranderen. De Labour Party zal alleen blijven luisteren naar de vakbeweging, zoals de Tories blijven luisteren naar de werkgevers.” Een Labourregering zal financiering van politieke partijen door de staat invoeren: dat maakt bijdragen van (soms suspecte) zakenlieden aan de Conservatieve Partij overbodig, zoals het bijdragen van de vakbonden aan Labour overbodig maakt. En wat het uitblijven van stemadvies van de TUC aan haar leden betreft: in 1983 en in 1987 legden vakbondsleden dat advies massaal naast zich neer. In 1983 stemde 33 procent en in 1987 42 procent op Labour. De peilingen wijzen nu uit dat voor het eerst in tien jaar een meerderheid (55 procent) op Labour zal stemmen - en dit keer zonder dat daarom uitdrukkelijk gevraagd is.