Duitse regie toont begrip voor Beckett; Endspeil pleidooi tegen gangbare ensceneringen

Jürgen Gosch ensceneerde in 1987 een omstreden Tristan und Isolde voor de Nederlandse Opera. In zijn regies doet hij geen enkele concessie aan het publiek. In het Beckett-festival in Den Haag is morgen zijn versie van Endspiel te zien, gespeeld door het Schauspielhaus Bochum.

Endspiel door Schauspielhaus Bochum. Koninklijke Schouwburg, Den Haag, 9 april. Aanvang 20.15u.

Ergens in zijn werk verzucht Beckett dat hij niet de moed heeft een einde te maken aan het verhaal van zijn leven noch de kracht bezit door te gaan. Een volmaakt dilemma, niet alleen in autobiografisch opzicht, ook literair en theatraal. Endspiel (1957) toont dit conflict. We moeten, uit gemakzucht, op dit drama niet te snel de geëigende Beckett-terminologie als "absurdisme" of "uitzichtloosheid" plakken.

Endspiel door het Schauspielhaus Bochum in de regie van Jürgen Gosch is een intens pleidooi tegen de gangbare interpretaties van Beckett. Nooit eerder werd me duidelijk hoezeer de figuren van Hamm en Clov door wederzijdse compassie en vooral begrip met elkaar zijn verbonden. Gosch neemt de tijd voor Beckett: twee uur. Hij associeert niet op Beckett, hij laat zich niet op tilt jagen door zijn eigen visie, nee, hij reconstrueert het toneelstuk. De pauzes worden gespeeld, de regieaanwijzingen secuur gevolgd.

Het mooie van dit Endspiel is de eenvoud ervan. Nu zie ik opeens dat veel regisseurs het stuk verkeerd hebben begrepen door er een strijd van te maken tussen de blinde, lamme Hamm en de kreupele, rusteloze Clov. Zo is het niet. De twee kennen elkaar al lang en zijn zo door lotsverbondenheid met elkaar vergroeid, dat er geen sprake is van banale strijd.

Gosch laat dit zien door subtiele details. De knecht Clov (Wolfgang Michael) geeft voor het Schauspielhaus Bochum een glansrol weg. Hij is alwetend. Voordat Hamm (Peter Roggisch) ook maar iets heeft gezegd, weet Clov wat er gaat komen. Hun spel is dat van verveling en voorspelbaarheid, en heet daarom met recht een eindspel. Wanneer Clov aan het slot klaar staat te vertrekken om de invalide Hamm achter te laten, ontstaat er een afscheidsscène met dramatische ondertoon die als een zeldzaamheid mag gelden in de ensceneringen van Beckett.

Het smetteloos witte decor, slechts onderbroken door de twee raampjes waaruit Clov blikt, volgt secuur Becketts aanwijzingen van een abstracte, tijdloze ruimte, niet aan een plaats gebonden. Het donker dat als een zwarte hemel boven het decor welft, geeft aan de speelvloer de suggestie te zweven door het universum. Niets is aards aan dit Endspiel, of het moesten de vuilnisemmers zijn, de trap van Clov en de verrekijker die zo vaak op de grond valt dat de lenzen op zijn minst barsten moeten vertonen. Hindert niet; buiten is het leeg.

Nag en Nell in de afvalemmers zijn geschminkt als groteske, erbarmelijke oude mensen. Hun woorden zijn nauwelijks meer dan gekreun. Hun aanwezigheid is realistischer dan het spel van de beide anderen; het stof van de tijd sinds 1957 heeft zich op hen gezet en zij zijn tot symbolen geworden.

De voorstelling vergt veel aandacht van de toeschouwer; de concentratie op de tekst een grote bereidwilligheid. Daarom schuilt er iets provocatiefs in Gosch' enscenering, alsof hij wil zeggen: "Nu dwing ik iedereen eens naar Beckett te luisteren." De voorstelling zou "horror" bezitten, las ik in een lovende Duitse recensie. Daarin geloof ik niet. Ze is kaal, eenzaam, ze wekt een desolate indruk, ze toont aan hoe zwart de nacht is buiten een hel verlichte ruimte en hoe twee mensen met filosoferen en wederzijdse pesterij de onmetelijke tijd doorkomen.