Controle

AL DERTIEN jaar geleden werden in een rapport van het ministerie van sociale zaken vraagtekens gezet bij de toezichthoudende functie van de Sociale Verzekeringsraad bij de uitvoering van de sociale zekerheid.

Deze taak kon de verzekeringsraad onmogelijk naar behoren uitvoeren omdat er in feite sprake was van bestuurders die zichzelf controleerden. Immers, de in de Sociale Verzekeringsraad vertegenwoordigde centrale organisaties van werkgevers en werknemers wijzen ook de bestuurders van de paritair samengestelde uitvoeringsorganen aan die zij dienen te controleren. Daarnaast was er nog de wetgeving die de Sociale Verzekeringsraad niet de bevoegdheid gaf om direct in te grijpen bij uitvoeringsorganen. In het rapport uit 1979 stelde de projectgroep onder leiding van topambtenaar Lamers dan ook: “Werkelijke bestuurlijke invloed op kwaliteit en beheersbaarheid van de uitvoering heeft de Sociale Verzekeringsraad nooit kunnen uitoefenen”.

Het gelijk van de commissie van dertien jaar geleden werd vorige week dankzij het rapport van de Algemene Rekenkamer over het functioneren van de Verzekeringsraad nog eens pijnlijk duidelijk bevestigd. De controle op de uitgaven was in hoge mate tekortgeschoten. In feite heeft de verzekeringsraad het feilen al eerder toegegeven. Niet voor niets is vorig jaar besloten tot het instellen van een Toezichtkamer waarin ook onafhankelijke leden zitting hebben.

Maar daarmee is nog niet een minstens zo intrigerende vraag beantwoord, en die luidt waarom een situatie waarvan de gebreken al in 1979 werden geconstateerd zo lang heeft kunnen voortduren. Daarom is het idee van een parlementair onderzoek, wat iets anders is dan een parlementaire enquête, naar de gang van zaken nog zo gek niet. De regeringsfracties CDA en PvdA hebben tot nu toe aarzelend gereageerd op deze suggestie van de oppositie. Ten onrechte. De ervaring van de afgelopen jaren heeft geleerd dat dit soort onderzoeken heilzaam kan werken.