Centralisering antwoord op gebrekkige dopingcontroles

ARNHEM, 8 APRIL. De Nederlandse sportbonden ontvangen een dezer dagen een brief waarin hen wordt gevraagd meer aandacht te besteden aan dopingcontroles. Het is een initiatief van het Nederlands Centrum voor Dopingvraagstukken (NeCeDo). In de brief wordt aan de bonden voorgesteld dat het NeCeDo de centrale coördinatie van de dopingcontroles zal verzorgen en daarnaast een cursus erkend dopingcontroleur wil geven aan bondsvertegenwoordigers. Het instituut vraagt naar het standpunt van de organisaties in de hoop tot een uniform beleid te komen.

In de Nederlandse sportwereld is er niemand die precies weet hoe te handelen bij een dopingcontrole. Mr. Emile Vrijman, beleidsmedewerker van het NeCedo, weet uit ervaring hoe slecht de meeste sportorganisaties de controles verzorgen - zo de onderzoeken al plaatsvinden. Want niet alleen door onkunde, maar ook door gebrek aan financiële middelen, is van een dopingbeleid nauwelijks sprake. “De atletiekbond en de wielrenunie zijn de slechtsten niet. Maar heel veel bonden doen helemaal niks. Er bestaat nauwelijks een reglement. En als er een dopinglijst bestaat, is die vaak nog slordig en zeker niet up-to-date overgeschreven van de officiële IOC-lijst”, zegt Vrijman.

Het NeCeDo, dat ruim twee jaar geleden werd opgericht, gaat met zijn voorstel verder dan zijn oorspronkelijke opdracht. In principe heeft het door WVC gesubsidieerde instituut niet meer dan een adviserende taak. Maar Vrijman heeft geconstateerd dat de meeste bonden het bestaan van het NeCeDo negeren dan wel eenvoudigweg ontkennen dat bij hen sprake van doping is. “Er heerst een sfeer van: dat gebeurt alleen in het buitenland. Maar als het overal gebeurt, dan moet het hier toch ook gebruikt worden?”

Hij heeft in de afgelopen jaren alle bonden folders gestuurd waarin informatie over het NeCeDo werd gegeven en officieel controlemateriaal werd aangeboden. Het merendeel bestelde een setje folders voor de sporters. Maar bijvoorbeeld het gewest Drente van de schaatsbond zag af van de aanschaf van vijftig sets omdat ze de totale kosten van zegge en schrijve vijftien gulden te hoog vond.

Vrijman kan zich voorstellen dat de kosten van een dopinganalyse voor de sportbonden momenteel te hoog zijn. Bij gebrek aan een officieel laboratorium (Utrecht verloor twee jaar geleden zijn IOC-accreditatie), moeten de urinemonsters naar het buitenland (Keulen of Gent) worden gestuurd. Naast de kosten die gemaakt worden door de koeriers, moet fors worden betaald voor een totale analyse (onderzoek naar alle verboden middelen die op de IOC-lijst staan). Keulen berekent vijfhonderd gulden per analyse. In Nederland zou dat nu 750 gulden zijn. Een out of competition (alleen anabole steroïden) 250 gulden.

Wanneer alle Nederlandse sportbonden afspreken hoeveel dopingcontroles ze het komende jaar willen gaan houden, stelt Vrijman voor, dan kan het nog bestaande laboratorium in Utrecht voor minder geld worden aangewend. Dan kan men daar een begroting maken, een normale bedrijfsvoering instellen.

Vrijman: “Vroeger betaalde de wielerunie de helft van het budget omdat het veruit de meeste controles liet plaatsvinden. Dat was niet eerlijk omdat andere bonden die maar een paar controles deden daarvan profiteerden. Al is Utrecht nog geen officieel IOC-lab, het kan wel voor interne controles en out of competition-testen worden gebruikt. En op die manier zijn betrouwbaarheid aantonen en zo IOC-accreditatie verwerven. De faciliteiten zijn aanwezig. WVC is bereid 250.000 per jaar te betalen als het lab zijn accreditatie terugkrijgt. Maar dan moet vanuit de bonden worden meegewerkt.”

Ondanks de recente beschuldigingen moet Vrijman het antwoord schuldig blijven op de vraag of Nederland een dopingprobleem heeft. Hij heeft geen enkel idee. Crisis! Hoezo crisis? Er bestaan van de afgelopen twee jaar geen cijfers. Niet over het aantal controles bij Nederlandse sportmensen in zowel binnen als buitenland, laat staan over het aantal positieve gevallen. In tegenstelling tot bijvoorbeeld in Engeland waar alles is geregistreerd. Een enkele keer wordt in Nederland gepubliceerd dat een sportman positief is bevonden. “Sommige gevallen worden verdoezeld”, weet Vrijman. Om het imago van hun sport niet te schaden.

De laatste cijfers van in Nederland (Utrecht) gecontroleerde sporters dateren van 1989, toen 1110 (waarvan 412 paarden) analyses plaatsvonden. Er waren 52 positieve gevallen. Daarvan was een onbekend deel afkomstig van buitenlanders. Opvallend is dat in atletiek en wielrennen een paar out of competition-testen met positieve gevallen plaatsvonden.

“Als je niet zelf controleert, loop je het risico dat een sporter in het buitenland positief is, zonder dat je er vanaf weet”, waarschuwt Vrijman. En: “Als over een half jaar Nederland met de ratificatie van de Europese convenant voor dopingbestrijding komt, ontkom je er niet aan beter en vooral zelf te controleren. Dan is de overheid verplicht de bonden aan te moedigen een dopingbeleid te voeren. Korting op subsidies kan dan een machtsmiddel zijn.”

Daarom pleit Vrijman ook voor een cursus. Elke bond zou vijf of zes mensen tot zijn beschikking moeten hebben die weten hoe er gecontroleerd moet worden en welke problemen zich kunnen voordoen tijdens de controles. “Urine afnemen kan iedereen.” Procedurefouten zoals met Katrin Krabbe en co. staan niet alleen en kunnen zich zeker in Nederland ook voordoen, meent Vrijman. Bonden die nog een loodje ter afsluiting gebruiken, of zegellak met behulp van een kaars. Of ze doen de flesjes in een doos, met alle gevolgen vandien. Terwijl het NeCeDo al het officiele materiaal, inclusief fraudebestendige afsluitingen en tas voor het vervoer kan verstrekken.

Vaak worden de controles uitgevoerd door bestuursleden of artsen, meestal bondsartsen. Maar die komen in problemen als ze een vertrouwensrelatie met de te controleren sportman hebben. De meeste artsen kennen bovendien de officiele gang van zaken niet.

Procedurefouten, Vrijman kent er legio. “Tijdens het EK schaatsen zegt een fysiotherapeut tegen Zandstra dat hij niet het dopingformulier moet tekenen omdat de afsluiting van het flesje niet goed was. Als je niet tekent ben je in overtreding, dus positief. Zet er dan commentaar bij, maar teken altijd. Dat is toen nog net geregeld. Maar het geeft aan hoe slecht men op de hoogte is. De sportmensen en begeleiders kennen de risico's niet. Er is geen voorlichting. Voor hetzelfde geld is Zandstra positief omdat hij niet heeft getekend. Dat zou een blunder van de schaatsbond zijn.”

De bondsen gaan er aan voorbij dat een sportman jaren geschorst kan worden, zonder dat de fout bij hem lag. Een ideale situatie zou kunnen zijn dat iedere sportman over een pasje beschikt, een soort logboek waarin alle gegevens van hem staan. De naam van de controleurs, welk laboratorium, welke artsen erbij betrokken zijn geweest, welke geneesmiddelen zijn gebruikt. Het moet de sportman de garantie geven dat als er een fout is gemaakt, hij kan achterhalen waar die ligt. Vrijman adviseert zo'n pasje in te voeren.

Dopingbestrijding wordt internationaal op uiteenlopende wijzen geïnterpreteerd. “Ik weet absoluut zeker dat in China en Afrika niet wordt gecontroleerd”, zegt Vrijman. “In de Verenigde Staten nauwelijks. In het ene land is het gebruik gevaarlijker dan in het andere. In België en Frankrijk is een dopingwet. Huiszoekingen zijn normaal. Op overtreding van de wet kan een gevangenisstraf staan. Een debiele ontwikkeling. Maar tijdens een dopingcongres in het najaar in Noorwegen vertelden twee mensen van de Franse dopingcommissie me dat in het Franse parlement vragen waren gesteld over de affaire met de PDM-wielrenners. Er moest aangetoond worden dat van doping geen sprake was. Tot aan een verzoek aan de Nederlandse overheid toe. Of ik duidelijkheid kon geven. Anders zou men van de Franse ronde-organisaties moeten eisen die renners te weren.”

Door de onverschillige houding ligt het lot van de Nederlandse bonden en hun sporters in handen van buitenlandse instanties, meent Vrijman. Hij wijst op de Nederlandse urinemonsters die in Keulen door prof. Donike worden onderzocht. Tijdens de affaire-Krabbe bleek dat hij de zogenoemde B-monsters ook had onderzocht. “Daarmee ontneem je de sporter de kans op een tegenbewijs. Want als hij na het A-monster ook nog het B-monster openmaakt, heb je niets meer in eigen handen. Die van Krabbe dateren nog van 1991. Terwijl ze officieel maar drie maanden bewaard moeten blijven. Ik moet nog vijftig sets, tassen en flesjes, van hem terug hebben. Die bewaart hij. Dat kan beter op een Nederlands laboratorium liggen.”

Dopingbestrijding is in Nederland een vies woord geworden. Educatie is het modewoord. “Maar voorlichting door bijvoorbeeld een arts over doping houdt risico's in. Hij vertelt de sporter hoe het moet en deze gaat vervolgens zijn eigen weg”, veronderstelt Vrijman. Misschien is de uitgave in juni door het NeCeDo van een voorlichtingsboekje verhelderend. Daarin staan de rechten van de sportman bij een dopingprobleem en de mogelijke gevolgen. Bovendien is een lijst opgenomen van geneesmiddelen die wèl gebruikt mogen worden. En die is korter dan de lijst met verboden middelen.