Zelfmoord 40 jaar na Auschwitz Bzzlletin 194, ...

Zelfmoord 40 jaar na Auschwitz Bzzlletin 194, Primo Levi. Uitg. Bzztôh, 80 blz.ƒ12,50

Nietzsche is nog levend Magazine Littéraire 298, april 1992. 170 blz.40F

Wel een koers De XXIe Eeuw, 1ste jrg.nr.4, winter '91-'92. Bert Bakker, 176 blz.ƒ17,50

Zelfmoord 40 jaar na Auschwitz

Na Samuel Beckett is nu Primo Levi aan de beurt voor een themanummer van Bzzlletin. Zaterdag is het vijf jaar geleden dat Levi stierf. Zijn zelfmoord wekte meer verwondering dan gebruikelijk, omdat het leek of juist hij met zijn literatuur een manier had gevonden om met de verschrikkingen die hij in Auschwitz doorstond te leren leven. Waarom 40 jaar na Auschwitz jezelf ombrengen - geen necrologieschrijver kon om die vraag heen.

Bzzlletin nam een artikel op van de Amerikaanse Cynthia Ozick, die vijf jaar geleden probeerde dat raadsel te bevatten. “Het laatste manuscript over het kamp was af, zijn hart had hij helemaal uitgestort; er viel niets meer te vertellen.”

Vaak is Levi "onthechtheid' verweten, anderen daarentegen bewonderden hem om zijn kalme, analytische en nooit beschuldigende werk. Had hij beter wél kunnen klagen, aanklagen, verwijten, of eens flink schelden? “Van de kroniekschrijvers van de Holocaust komt Levi naar voren als degene die de lezer het minst in verwarring brengt, het minst verwondt, het minst belast” vindt Ozick. Zij ziet in zijn laatste boek, De verdronkenen en de geredden echter wel degelijk een woedeuitbarsting, een j'accuse, een "inhaalmanoeuvre na decennia van terughoudendheid'. Ozick suggereert dat het precies die woede was waardoor Levi kon overgaan tot zelfmoord, het ontbranden van die emotie verstoorde het evenwicht en leidde tot zijn zelfvernietiging.

Ook Alvin H.Rosenfeld plaatst in zijn uitstekende openingsartikel Primo Levi nadrukkelijk in het rijtje van zelfmoordenaars die het concentratiekamp overleefden: Paul Celan (1970), Tadeusz Borowski (1951, bijna 30, vlak voordat zijn vrouw zou bevallen, Jean Améry (1978, over hem schreef Levi frappante bespiegelingen).

“Fundamentele helderheid, soberheid en elegante vorm schenen waarborgen tegen resterende dreigingen uit het verleden”, verbaast Rosenfeld zich. Hij stelt de vraag of niet de voortdurende evocatie van de herinneringen Levi te veel is geworden, met andere woorden of zijn schrijven mede schuldig is aan zijn dood.

De woede die Ozick signaleerde acht hij van minder definitief belang en hij wijst erop dat Levi in De verdronkenen en de geredden zijn woede evengoed op zichzelf richtte. Het vertellen schonk Levi op latere leeftijd geen gevoel van vrede of bevrijding meer, hij begon zelfs aan de waarde van zijn eigen getuigenis te twijfelen. Gelukkig gaat Rosenfeld niet zover zijn dood aan het schrijven, het bewust-herinneren te wijten.

Andere medewerkenden aan dit nummer zijn Sem Dresden, Peter Nijssen, J.F.Vogelaar, over Levi's huiverende fascinatie voor Kafka en zijn onmenselijke literatuuropvatting: “wat kan - wat vermag of zelfs wat mag - literatuur ten aanzien van menselijke gruweldaden en lijden?”

Connie Kristel onderzocht Nederlandse en Duitse reakties op Levi en Reinier Speelman de diermotieven in zijn poëzie. Over de vroege Duitse receptie valt nog weinig te achterhalen - het wachten is op het moment waarop Levi's weduwe zijn archief ter bestudering vrijgeeft - maar in de Nederlandse pers werd in 1961 meestal zuchtend ("Bah, alweer een concentratiekampverhaal') gereageerd: “Eerst uit de recensent vermoeidheid en verzadiging wat het onderwerp betreft, om vervolgens voor Eens was ik een mens een uitzondering te maken”. Die Welt mopperde in 1987: “Het is niet voldoende in de hel te zijn geweest om een Divina Commedia te schrijven”. Bzzlletin maakte een waardevol en waardig herdenkingsnummer.

Bzzlletin 194, Primo Levi. Uitg. Bzztôh, 80 blz.ƒ12,50

Nietzsche is nog levend

Veertien delen Nietzsche bij Gallimard, het negende staat op verschijnen en Magazine Littéraire ondersteunt dit projekt met een dubbelnummer waarin bijna 100 bladzijden aan de Duitse filosoof gewijd zijn. Om te laten zien hoe alive and kicking hij 92 jaar na zijn dood nog is vroeg Magazine Littéraire Nietzscheanen uit om bijdragen.

Gilles Deleuze mag vanzelfsprekend beginnen. Philippe Sollers verklaart zijn afhankelijkheid ("Ecce Homo stukgelezen, uit het hoofd geleerd onbewoond-eilandboek'), de Amerikaanse filosoof Richard Rorty en de Italiaanse Gianni Vattimo leverden een bijdrage. Zijn biograaf Curt Paul Janz wordt ingeschakeld met een vraaggesprek, de "biographie intérieure' die Lou Andréas-Salomé, "la dame de ses pensées' van hem schreef wordt besproken (Friedrich Nietzsche in seinen Werken, 1894), zijn invloed op Georges Battaille, Malraux, Camus, René Char, Maurice Blanchot wordt afzonderlijk geanalyseerd, alsmede die op andere filosofen.

Lou Salomé duikt her en der even op, bijvoorbeeld in een stuk over de psychoanalyse: “Zij lijkt symbool en incarnatie te zijn van de band tussen Freud en Nietzsche”.

Er is ook een Pléiade-editie van Nietzsche op komst.

Magazine Littéraire 298, april 1992. 170 blz.40F

Wel een koers

Het duurde verdacht lang voordat het vierde nummer van De XXIste eeuw verscheen. Vertilt Bert Bakker zich niet aan zijn drie literaire tijdschriften (naast dit nog Het Oog in 't Zeil en De Tweede Ronde)?

Curieus thema van dit nummer is "Weg met de Middellandse Zee'. Maar het lijkt wel een antwoord aan het Literair Produktie- en Vertalingenfonds, dat ingrijpende veranderingen in de subsidieverdeling aangekondigd heeft.

Behalve kwaliteit wil het Fonds ook iets als een "koers' zien, een ideologie of programma. Niet dat de literaire uitgevers nog qua "koers' van elkaar te onderscheiden zijn, of de dag- en weekbladen, of schrijvers zelf, maar het Fonds eist "koers'.

Een bijzonder fraaie reaktie hierop vormt het aan Julio Cortázar onleende motto van dit nummer. Het is lang maar te mooi om niet te citeren:

“Daarom, mevrouw, zei ik tegen u dat velen deze wandeling van de kameleon op het bonte tapijt niet zullen begrijpen, en dat terwijl mijn favoriete kleur en koers zodra je goed kijkt duidelijk zijn: iedereen weet dat ik links woon, op het rood. Maar ik zal het er nooit expliciet over hebben, of misschien wel, ik beloof of ontken niets. Ik geloof dat ik iets beters doe dan dat, en dat er velen zijn die het begrijpen. Ook sommige commissarissen van politie, want niemand is reddeloos verloren en veel dichters blijven met krijt schrijven op de muren van de politiebureaus, in Noord en Zuid, in Oost en West op de gruwelijke, mooie aarde.”

Verderop is een "Brief aan de medewerkers' opgenomen, waarin nader ingegaan wordt op het verschijnsel engagement. Het wordt, in deze open en vrije samenleving, afgedaan als romantische nostalgie, als iets buitenliterairs. In onze omgeving kan literatuur ver van de werkelijkheid staan. “En die hiërarchie, die tussen feit en fictie, is nog maar de eerste van de vele hiërarchieën die we achter ons kunnen laten alsof ze nooit hebben bestaan. De politiek kan niet zonder het geloof in dualiteiten, in voor- en tegenstanders. Wij wel. Wij heffen ze gewoon op.”

"Weg met de Middellandse Zee' was wat Miró bij wijze van subversieve leus over straat schreeuwde toen de surrealisten ook van hem een schokkende uiting van betrokkenheid verwachtten. Met de titel van dit vierde nummer heeft De XXIste eeuw als eerste tijdschrift zijn programma pontificaal neergezet. Zoals het al in zijn eerste nummer bekend maakte geen partij met programma te willen zijn, “Wij zijn beslist niet de voorvechters van een nieuwe literaire beweging en koesteren ook niet de geringste ambitie daartoe. Maar wij nemen geen genoegen met de vrijblijvendheid die vaak het gevolg is van de alomtegenwoordige neiging tot relativeren.”

De XXIe Eeuw, 1ste jrg.nr.4, winter '91-'92. Bert Bakker, 176 blz.ƒ17,50