Stevens versus Simons

Overheidsbeleid in wording doet vaak denken aan een vloot traag opstomende supertankers.

De haven van bestemming is soms onzeker, niet alle kapiteins houden zich aan de uitgezette route, en regelmatig raken boten op drift. Chaotisch scheepvaartverkeer leidt tot botsingen. Op dit moment liggen twee beleidstankers op botskoers. Het gaat enerzijds om de herziening van het stelsel van ziektekostenverzekeringen (plan Simons), anderzijds om voorstellen van de commissie-Stevens voor verlaging en vereenvoudiging van de inkomstenbelasting.

Het vaartuig van Simons bevindt zich reeds op volle zee, het heeft inmiddels de nodige averij opgelopen en er is nog zwaarder weer op komst. Het schip van Stevens is pas afgelopen zomer te water gelaten en ligt voor anker, totdat de regering - in afwachting van diverse adviezen - het bevel geeft de bouw te voltooien. Kiest Stevens het ruime sop, dan dreigt echter - als niet wordt bijgestuurd - een scheepsramp van ongehoorde afmetingen.

Met het oogmerk de kostenontwikkeling in de zorgsector te beteugelen is enkele jaren geleden begonnen met een ingrijpende herziening van het stelsel van ziektekostenverzekeringen. De commissie-Dekker (1987) legde de kiel voor deze operatie. Zij vertrouwde erop dat terugtreden van de overheid (minder regels en voorschriften) in combinatie met versterking van het marktmechanisme (meer onderlinge concurrentie tussen aanbieders en verzekeraars van zorgvoorzieningen) de kosten van de zorg zou drukken. Vervolgens hebben zowel het tweede als het derde kabinet-Lubbers stappen gezet om de blauwdruk van Dekker en de zijnen om te zetten in beleid.

Staatssecretaris Simons zette een eigen bovenbouw op de romp van Dekker. Het verschil tussen particulier- en ziekenfondsverzekerden verdwijnt. Verzekeringsmaatschappijen en ziekenfondsen moeten met elkaar concurreren om de gunst van de consumenten. Bij de stelselherziening wordt de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) geleidelijk uitgebreid tot een basis(=volks)verzekering tegen zorgkosten. De huidige particulier verzekerden zien hun AWBZ-premie oplopen; in beginsel kan hun polispremie steeds verder omlaag. Het verplichte ziekenfonds voor lager betaalde werknemers en mensen met een uitkering verdwijnt. Zij gaan net als iedereen steeds meer AWBZ-premie betalen, en daarnaast een vaste premie. Anders dan nu, kunnen voormalige ziekenfondsverzekerden straks kiezen voor een eigen risico, net zoals particulier verzekerden.

Steeds meer verstrekkingen worden inmiddels naar de AWBZ overgeheveld. Daarom gaat de AWBZ-premie stap voor stap omhoog. De opbrengst van de AWBZ-premie komt terecht in een Centrale kas, waaruit alle zorgverzekeraars een uitkering krijgen, afhankelijk van de risico's die zij lopen gezien hun verzekerdenbestand. In de eindfase van Simons bedraagt de AWBZ-premie liefst 13 procent (vorig jaar 5,8 procent, dit jaar 7,3 procent).

Sinds 1 januari 1990 wordt de AWBZ-premie gecombineerd geheven met de loon- en inkomstenbelasting, op basis van een uniforme grondslag. Bij de operatie-Oort kwam er een drie-schijventarief. In 1990 werden daarop percentages toegepast van achtereenvolgens 35, 50 en 60. Het tarief van de eerste schijf bestaat uit 13 procent belasting en 22 procent premies voor de volksverzekeringen (waaronder de AWBZ). Binnen twee jaar steeg het tarief van de basisschijf met ruim drie punten, tot 38,5 procent. De oorzaak ligt uitsluitend bij de premies, vooral bij "Simons' en door het achterwege blijven van de inflatiecorrectie in 1992. Hierdoor is de eerste tariefschijf niet verlengd. De sterk stijgende lasten van AOW en gezondheidzorg worden uitsluitend omgeslagen over het inkomen in de eerste schijf. Blijft dat gelijk, dan komen de benodigde middelen alleen binnen door het premiepercentage flink te verhogen. Dat is dit jaar gebeurd.

In de eindfase van Simons ligt het tarief van de eerste schijf op 45 procent. Bij voortgezette premiefinanciering van de AOW en bekostiging van een belangrijk deel van de stijgende zorguitgaven via de AWBZ zal tegen het eind van deze eeuw het percentage van de eerste en de tweede schijf samenvallen (50 procent). Blijft toepassing van de inflatiecorrectie de komende jaren vaker achterwege, dan verloopt de tariefstijging nog sneller.

De herverdelende werking van het progressieve IB-tarief (13-50-60) wordt in dit geval nagenoeg geheel teniet gedaan door de degressieve premiestelling voor de volksverzekeringen (37-0-0). Dit voorspelt weinig goeds voor de voorstellen van de commissie-Stevens, die ook om andere redenen onder vuur zijn komen te liggen. De commissie-Stevens heeft in haar rapport Graag of niet een twee-schijvenstructuur voorgesteld, waarbij het toppercentage vijf punten daalt (tot 55 procent) en het basispercentage met anderhalve punt.

Stomen Simons en Stevens samen op, dan kent Nederland in het begin van de volgende eeuw een tarief met twee schijven, die tegen 50 respectievelijk 55 procent worden afgerekend. Velen, en niet alleen verstokte sociaal-democraten, zullen met deze tariefstelling moeite hebben. Te vrezen valt, dat onder deze omstandigheden voor de zeer gewenste verlaging van het toptarief onvoldoende maatschappelijk draagvlak overblijft. De Stevens-voorstellen botsen op de solidariteitspremies die uitsluitend worden geheven over het inkomen in de eerste schijf.

Gezocht wordt dus: een stuurman die tijdig een nieuwe koers uitzet. Simons torpederen, Stevens wenden of uitgaventrends keren? De roergangers in het Catshuis hebben niet veel tijd meer.

Niet alleen heeft Franken regelmatig bezoek, hij moet ook een omvangrijke administratie bijhouden. Op de keukentafel liggen een stuk of zes ordners, die formulieren bevatten die regelmatig moeten worden ingevuld. Zo is er een medicijnenregistratiekaart, waarop precies wordt aangegeven welke dieren welke medicijnen hebben gekregen en wanneer. Er is een ordner met voerbonnen, waarop de samenstelling van het geleverde voer is vermeld. En er is een bezoekerslogboek, waarin bezoekers aantekenen wanneer ze zijn geweest en waarvoor.