's Werelds grootste bankier kopje onder

Wat is er aan de hand met Japans economie? De beurskoersen kelderen, het bruto nationaal produkt krimpt en het pessimisme onder ondernemers neemt pijlsnel toe. Is de bureaucratie bij overheid en bedrijven de regie kwijtgeraakt over de expansie van 's werelds op een na grootste economische macht? In de wereld houden sommigen de adem in.

Stimuleringsmaatregelen van de regering ter waarde van bijna 90 miljard gulden kregen vorige week in Japan bijna een smalend onthaal, een notabene forser dan verwachte disconto-verlaging door de Bank van Japan werd door de beurs met een nieuwe koersval begroet. Te weinig, te laat, werd er geroepen, alsof men op de beursvloer ééndimensionaal bezig was zichzelf de put in de praten.

De beurs zit opgescheept met een overvloed aan aandelen uit de tijd dat beleggen alleen speculatieve doeleinden diende. Naar die aandelen is geen vraag meer. Er wordt nu wetgeving voorbereid die bedrijven in staat moet stellen eigen aandelen te kopen, tot nu toe wettelijk verboden, ten einde de beurs nieuw leven in te blazen - een van de onderdelen van het stimuleringsprogramma van de regering. Een cosmetische operatie, schamperen de critici.

Vooral het vertrouwen in de grote banken slinkt zienderogen. Vorige week verloren ze in drie dagen tijd maar liefst een vijfde van hun beurswaarde, de Industrial Bank of Japan zelfs een kwart. Zelfs toen afgelopen vrijdag de koersen weer even stegen, bleven de bankfondsen dalen.

De industrie verwacht de komende drie jaren nog niet de helft van het groeitempo in investeringen te halen van de afgelopen drie jaar, zo wil een enquête onder beursgenoteerde bedrijven. Grote concerns als Toshiba zeggen zelfs minder dan hun afschrijvingen te zullen investeren.

De officiële voorspelling dat de economie dit begrotingsjaar groeit met 3,5 procent gelooft alleen de regering nog. De Keidanren, Japans invloedrijke ondernemerslobby, die de regeringsmaatregelen eerst toejuichte, zong al snel mee in het koor van de pessimisten en houdt het op hooguit nog 2,7 procent, zelfs na de recente verlaging van het disconto.

Regering, centrale bank en ondernemerswereld hebben bewust de bubble-economie doen barsten, maar krabbelen nu terug voor de onaangename gevolgen. Het is net als met de Koude Oorlog, nu het Westen die gewonnen heeft weet het geen raad met de nieuwe situatie en verlangt het terug naar de tijden die zo zeker leken. Voor de regerende LDP spelen daarbij de verkiezingen in juli voor het Hogerhuis een rol, waarin ze haar meerderheid was kwijtgeraakt, en die haar zenuwen zwaar op de proef stellen. Kenmerkend voor de onzekerheid die zich van het land heeft meester gemaakt is de houding van de centrale bank. Begin maart al overwoog gouverneur Mieno van de Bank van Japan de rente te verlagen. Maar de uitspraak van een kopstuk uit de LDP die om het hoofd van Mieno vroeg deed de Bank schielijk terugdeinzen en koppig volharden in haar strakke monetaire politiek. Pas een maand later gaf Mieno zich gewonnen en verlaagde hij het disconto, met een kwart punt meer dan werd verwacht, als om zijn inschikkelijkheid te bewijzen voor de politici.

Toch is het beeld dat Japan dezer dagen van zichzelf vormt bedriegelijk. Feit is dat het hard wordt geconfronteerd met het einde van de bubble-economie, maar harder dan verwacht? Ja, harder dan men in leidende kringen hoopte. Maar de Oeso, de club van 24 rijke landen in Parijs, voorspelde vorig jaar al dat Japans economie dit (kalender)jaar, na een groei van 4,6 procent in 1991, niet harder dan 2,5 procent zou groeien. De economie van Japan ondergaat een significante structurele verandering, schreef de Oeso toen in haar landenrapport over Japan - met instemming van Tokio.

Anders gezegd: bedrijven die eind jaren tachtig soepel meesurfden op de speculatiegolf gaan nu kopje onder. Maar bedrijven die zich staande weten te houden winnen aan concurrentiekracht. Japan als geheel zal sterker uit de "recessie' tevoorschijn komen. Of, zoals buitenlandse analisten hier zeggen: de economie verliest aan gewicht en slanker worden is gezond. Japan moet alleen nog wennen aan een minder onstuimig expansietempo.

Nog in het afgelopen begrotingsjaar, dat op 31 maart eindigde, trokken Japanse bedrijven l2,52 biljoen yen (bijna 180 miljard gulden) aan op de kapitaalmarkt, liefst 30 procent méér dan in 1990, het leeuwedeel in het buitenland. Alleen al aan obligaties op de Euromarkt was voor 6,29 biljoen yen geplaatst, een stijging van 39,8 procent, terwijl de converteerbare obligaties stegen met 22,1 procent tot 1,75 biljoen yen en de warrants met 35,4 procent tot 4,12 biljoen yen. Wegens de lage beurskoersen was het met de uitgifte van nieuwe aandelen natuurlijk slecht gesteld. Daar voltrok zich een daling van 48,8 procent tot 344 miljard yen.

Zal het dit jaar anders zijn? Welnee, zeggen analisten. Japan is al ruim een jaar lang netto-importeur van (lang) kapitaal en dat zal nog wel een poosje doorgaan. Nu de aandelenbeurs in eigen land als geldbron is opgedroogd, worden de beleggingsportefeuilles in het buitenland aangewend om de economische groei te financieren. Dat betekent dat elders in de wereld vroeg of laat de rente zal stijgen, de prijs die moet worden betaald voor Japans genereuze kapitaalexport van de afgelopen jaren. Voorlopig is het afgelopen met Japan als financierder van de wereldeconomie. Om over een tijdje weer als wereldbankier terug te komen, sterker en krachtiger dan ooit. Maar daartoe moet eerst de conjunctuur in eigen land in stabiele banen worden geleid. En daarvan is men in de wereld nu getuige, sommigen ademloos.