Planbureau voorziet verdubbeling van exportgroei

DEN HAAG, 7 APRIL. De groei van het Nederlandse exportvolume kan volgend jaar verdubbelen tot 6,25 procent. Omdat de binnenlandse bestedingen nauwelijks groeien zal het overschot op de lopende rekening van de betalingsbalans fors stijgen, van 19,5 miljard gulden in 1992 naar 26,0 miljard gulden in 1993. Dit voorspelt het Centraal Planbureau in zijn jaarlijkse Centraal Economisch Plan, dat vanmiddag is gepubliceerd.

Het CPB houdt er rekening mee dat het lang verwachte herstel van de internationale economie in de tweede helft van dit jaar zal inzetten, zowel in de VS als in Duitsland. Nederland profiteert bovendien van het feit dat de prijzen, in guldens uitgedrukt, bij de concurrenten waarschijnlijk nog sneller zullen stijgen dan hier.

Ondanks de exportgroei zal de werkgelegenheid, uitgedrukt in arbeidsjaren, in 1993 net als in 1992 niet toenemen maar stabiel blijven. Dit komt omdat Nederland kampt met stagnerende binnenlandse bestedingen. Het aantal werkzoekenden zonder baan stijgt daardoor volgens het CPB in 1993 tot 555.000. Dat is evenveel als in 1989; in 1991 was dit cijfer gedaald tot 490.000.

Het Planbureau houdt rekening met een variant waarbij het internationale conjunctuurherstel pas in 1993 inzet. In dat geval komt het aantal werkzoekenden zonder baan 12.000 hoger uit. Overigens sluit het CPB een meevallende ontwikkeling niet uit, “omdat het geprojecteerde groeiherstel in verhouding tot eerdere conjunctuurbewegingen voorzichtig genoemd mag worden”.

In het centrale scenario verwacht het CPB dat de produktiegroei van bedrijven, exclusief energie, dit jaar uitkomt op 1,75 procent en volgend jaar op 2,5 procent. De particuliere consumptie, die in 1990 en 1991 nog met 3 à 4 procent groeide, zou in 1992 met 1,25 procent en in 1993 met 1,5 procent stijgen. De bedrijfsinvesteringen zullen volgens het CPB zowel dit jaar als volgend jaar licht dalen, met circa 1 procent.

Het Planbureau verwacht dat de inflatie (prijsindex gezinsconsumptie exclusief medische diensten) zal oplopen van 3,5 procent in 1992 tot 4,25 procent in 1993. Een wat hogere dollar en aantrekkende grondstofmarkten leiden tot hogere invoerprijzen. Daarnaast stimuleert ook het overheidsbeleid de inflatie: de indirecte belastingen zullen volgens de Tussenbalans van februari 1991 met 2 miljard gulden worden verhoogd en de huren zullen wederom met 5,5 procent stijgen.

De contractlonen zouden volgens het CPB volgennd jaar met 4,5 procent stijgen; “de oplopende werkloosheid beperkt de versnelling in de loonstijging”. De koopkracht van de modale werknemer zou daardoor, in tegenstelling tot 1991 en 1992 toen de koopkracht stabiel bleef, weer licht kunnen stijgen, met een kwart procent. Het minimumloon en de sociale uitkeringen moeten echter rekenen op “enig koopkrachtverlies”.

Voor de overheid verwacht het Planbureau volgend jaar tegenvallende belastingopbrengsten, vooral omdat het effect van de tegenvallende economische concjunctuur in 1991 en 1992 ook in 1993 nog goed merkbaar is. Het financieringstekort van het Rijk, dat in 1991 nog ruim binnen de normen van het Regeerakkoord bleef, zou in 1993 circa 2 miljard gulden boven de politieke doelstelling van 3,75 procent van het nationale inkomen uitkomen. Daarentegen zou de collectieve lastendruk, die vorig jaar door het versneld innen van belastingen steeg tot 54,1 procent van het nationale inkomen, dit jaar dalen tot 53,8 procent en volgend jaar tot 53,2 procent.

Het Planbureau constateert dat tussen 1986 en 1990 van een serieuze tekortreductie “geen sprake (is) geweest”. In de jaren daarna is daar wèl werk van gemaakt; het Planbureau raamt de tekortreductie op 3 procentpunten van het nationaal inkomen. Geconcludeerd wordt dat, “wanneer in deze kabinetsperiode de overheidsfinanciën structureel gezond gemaakt zijn daarna de prioriteit (kan) verschuiven van tekortreductie naar lastenverlichting.” Dan zal volgens het Planbureau ook het negatieve effect van de collectieve sector op de binnenlandse bestedingen tot het verleden behoren.

Het Planbureau constateert dat sinds 1990 de periode van loonmatiging, ondanks de nog altijd hoge werkloosheid, voorbij is. De lastenverzwaringen door de overheid leiden er echter toe dat de koopkracht van de werknemers nauwelijks stijgt. Uiterst kritisch is het Planbureau ten aanzien van de nominale premies voor ziekenfondsverzekerden. Die zijn in “door de ziekenfondsen, kennelijk in oerhollands gemeenschappelijk overleg, hoger (...) vastgesteld dan (in september 1991) was aangenomen”.