Ontwikkelingseconoom Linnemann kritisch over vrijhandel; "Recept IMF voor groei deugt niet'

LEIDSCHENDAM, 7 APRIL. Aan economische modes heeft prof.dr. Hans Linnemann (60), afkomstig uit de school van Nobelprijswinnaar Tinbergen, altijd een broertje dood gehad. Als hordes economen hetzelfde gaan beweren, krijgt de scheidende ontwikkelingseconoom aan de Vrije Universiteit de neiging kritische kanttekeningen te plaatsen.

De management-goeroe Porter? “Die man heeft 800 bladzijden nodig om iets te vertellen. Als je echt iets te beweren hebt, moet je dat op één bladzijde kunnen vertellen. Dat leerde Tinbergen me al,” zegt hij. En de herwaardering van de "filosoof van de vrije markt' Friedrich von Hayek? Linnemann vreest dat veel economen weer te ver doorschieten en de onmisbare rol van een goed overheidsbestuur in de economie veronachtzamen.

Linnemann greep gisteren zijn afscheidscollege aan om kanttekeningen te plaatsen bij het vrijhandelsconcept van de GATT (Algemene Overeenkomst voor Tarieven en Handel) en de economische receptuur van IMF (Internationale Monetaire Fonds) voor ontwikkelingslanden. “Internationale handel en exportvergroting moeten niet worden gezien als dé motor van economische groei, maar veeleer als het knechtje of hulpje daarbij,” aldus de hoogleraar.

Linnemann promoveerde in 1966 op "An econometric study of international trade flows'. Hij houdt dan ook van wetenschappelijke exactheid op basis van onderzoek. “Een oorzakelijk verband tussen meer export en meer inkomen is niet duidelijk vast te stellen. Ook al lijkt dat verband te bestaan omdat in de afgelopen dertig jaar de gemiddelde groei van de wereldhandel groter was dan de gemiddelde groei van het wereldinkomen,” zo onderstreept hij.

Linnemann stelt vast dat binnen de wereldhandel in industrieprodukten een verschuiving heeft plaatsgevonden van eindprodukten naar tussenprodukten. Dat is rechtstreeks gevolg van de specialisaties binnen de industriesector. Dit betekent dat de binnenlandse toegevoegde waarde per eenheid industrieel export is afgenomen. “Zeker voor ontwikkelingslanden is deze tendens goed gedocumenteerd,” aldus Linnemannn. “Daar komt nog bij dat deze landen relatief minder primaire produkten exporteren, die juist een hoge binnenlandse toegevoegde waarde hadden.”

De VU-hoogleraar, die in zijn 40-jarige carrière in vrijwel alle werelddelen als economisch adviseur optrad, doet daarom enkele prikkelende aanbevelingen aan de internationale beleidsmakers. Linnemann: “Groei van de binnenlandse produktie bij een zekere bescherming is voorwaarde voor het opbouwen van een exportpotentieel. Exporten zijn dan allereerst van belang voor een toereikende invoer van goederen die een verdere produktiegroei mogelijk maakt. Kapitaalinvoer kan de rol van de export aanvullen of zelfs tijdelijk overnemen.”

Linnemann denkt aan het stimuleren van de binnenlandse produktie van eenvoudige (veelal aan landbouw gerelateerde) goederen, waarbij tijdelijke handelsprotectie onontkoombaar is. “Men vergeet vaak dat je de produktie van boeren in ontwikkelingslanden wel kunt stimuleren, maar dat dit alleen werkt als ze hun verdiensten kunnen besteden op de binnenlandse markt.” Dat instellingen als IMF en Wereldbank toch zo sterk vasthouden aan exportgroei heeft volgens Linnemann veel te maken met de weigering van veel westerse landen om voldoende kapitaalsteun te geven.

Het IMF-recept heeft volgens Linnemann nog geen grote exportgroeiers opleverd. Hij wijst op Afrikaanse landen die probeerden hun koffie-export op te voeren. “De wereldmarkt kan zo weinig absorberen, dat de prijs enorm is gekelderd.”

In Afrika bleef de verhouding tussen buitenlandse handel en nationaal inkomen de afgelopen dertig jaar gelijk, in Latijns-Amerika nam het cijfer zelfs af. Gunstige handelscijfers voor Azië worden volgens Linnemann “vertekend” door de pure doorvoerhandel van landen als Singapore en Hongkong. “En als je Zuid-Korea neemt, moet je vaststellen dat de exportquote van dat land tot 1960 kleiner was dan één procent.” En Mexico dan, dat door economische liberalisering een opbloei beleeft? Linnemann: “Dat land heeft het voordeel dat het aan de Verenigde Staten grenst. De Amerikanen willen de groei daar bevorderen, omdat ze anders nog meer immigranten krijgen. Voor de andere landen in Midden-Amerika is de situatie veel minder gunstig.”

Linnemann plaatst op de valreep ook nog een kritische kanttekening bij de ontwikkelingseconomie. “We zijn te lang uitgegaan van de fictie dat de overheid in ontwikkelingslanden de hoedster was van het algemeen belang.” Dat werd volgens hem ook enigszins in de hand gewerkt door de al te grote dosis idealisme, waarmee studenten voor het vak kozen.

Is er nog toekomst voor ontwikkelingseconomen? Linnemann is niet al te somber, ook al kiezen steeds meer studenten voor de 'harde' bedrijfseconomische vakken. Het vak is ten goede veranderd door een praktischer, minder modelmatige benadering, meent hij. Volgens Linnemann is er juist veel behoefte aan specifieke economische kennis, ook bij het bedrijfsleven, over ontwikkelingslanden. “Britse academische economen zijn breder georiënteerd. Zij hebben vaak in een van de koloniale gebieden gewerkt en publiceren daar ook over. Nederlandse economen weten nauwelijks wat het betekent, wanneer een land de helft van zijn inkomen verliest of de nationale munt instort.”