Ontwerpen van futurist Sant'Elia in Frankfurt; Gedroomde wolkenkrabbers

Tentoonstelling: Antonio Sant'Elia. Gezeichnete Architektur. In: Deutsches Architektur Museum, Frankfurt. T/m 17 mei. Catalogus DM 48,-.

"De enige hygiëne ter wereld', zo noemde Filippo Tommaso Marinetti de oorlog in zijn beroemde futuristische manifest uit 1909. Het waren niet alleen holle woorden, want toen Italië in 1915 betrokken raakte bij de Eerste Wereldoorlog, meldden de futuristische kunstenaars zich enthousiast als vrijwilliger. Het liefst voor het fietsbataljon - dat had iets extra moderns en dynamisch voor de aanbidders van lawaai, snelheid en de grote stad.

Op twee na keerden de futuristen ongeschonden terug uit de oorlog. Maar die twee waren wel de grootste talenten van het futurisme: de schilder en beeldhouwer Umberto Boccioni, die overleed nadat hij van zijn paard was gevallen, en de architect Antonio Sant'Elia, die op 10 oktober 1916 dodelijk in zijn hoofd werd getroffen door een kogel. Dat juist de toen pas 28-jarige Sant'Elia sneuvelde en niet Marinetti had iets onrechtvaardigs. Een fanatiek futurist was Sant'Elia immers nooit geweest en Marinetti's enthousiasme voor de oorlog deelde hij al helemaal niet.

Toen Sant'Elia sneuvelde, was hij al beroemd. Niet door zijn gerealiseerde oeuvre, dat niet meer omvatte dan een inmiddels afgebroken villa, een graftombe en een paar façade-decoraties, maar door zijn visioenen van de toekomstige stad, de "Città Nuova'. De tentoonstelling van zijn complete oeuvre van bijna vierhonderd tekeningen en schetsen in het Deutsches Architektur Museum in Frankfurt laat goed zien dat Sant'Elia twee levens leidde. Op de begane grond hangen de tekeningen die hij overdag maakte voor verschillende architectenbureaus in Milaan. Het zijn voor die tijd "moderne', maar weinig opzienbarende ontwerpen, variërend van een eclectisch station in Milaan tot villa's en kiosken die duidelijk de invloed van de Weense architect Otto Wagner en de Wiener Sezession verraden.

Boven hangen zijn verbeeldingen van de Città Nuova die hij 's avonds op zijn kleine kamer in Milaan maakte. Ze worden bevolkt door enorme terrasvormige wolkenkrabbers, stations en vliegvelden, die met elkaar zijn verbonden door wegen, spoorlijnen en wandelbruggen op verschillende niveaus. Zelfs nu ook in steden als Frankfurt en Rotterdam wolkenkrabbers de gewoonste zaak van de wereld zijn geworden, zijn Sant'Elia's visioenen nog overrompelend. Maar ze zijn ook spookachtig: zelden zijn er mensen op te zien en ook van auto's, treinen of vliegtuigen waarin reizigers zouden kunnen zitten is meestal geen spoor te bekennen.

Op de tentoonstelling hangen ook ontwerpen andere architecten als Otto Wagner, Tony Garnier en de Amsterdamse-Schoolarchitect Michel de Klerk. Ze laten zien dat Sant'Elia niet de enige was die droomde van grote steden en wolkenkrabbers. Maar hij deed het wel het radicaalst. Sant'Elia liet zich voor zijn Città Nuova inspireren door industriële architectuur, en dan vooral door waterkrachtcentrales. Of het nu ging om een station, een wolkenkrabber, een fabriek of een kerk, steeds keren de schuine wand en rechte steunberen van de stuwdam in een of andere gedaante terug. De Città Nuova is een virtuoze variatie op één thema, de waterkrachtcentrale.

Zoals het een goed futurist betaamde, publiceerde Sant'Elia in 1914 een ronkend manifest over de futuristische architectuur. Hierin komen bijna alle dogma's van het latere modernisme al voor. Van het verleden en de traditie had de architect niets te leren, schreef Sant'Elia. Er bestonden geen vaste wetten in de futuristische architectuur, het nieuwe huis was een machine en ornamenten waren verderfelijk: “Het gebouw van beton, glas en ijzer, zonder beschildering of versiering, is rijk door de schoonheid van alleen lijnen en vormen.” Ook pleitte Sant'Elia tegen de monumentaliteit en voor de tijdelijkheid van architectuur: iedere generatie moest zijn eigen stad bouwen. Alleen de laatste stap naar een absoluut functionalisme maakte Sant'Elia niet: voor hem bleef architectuur uiteindelijk toch een kunst.

Als de Città Nuova iets uitstraalt, dan is het monumentaliteit. Sant'Elia's gebouwen zijn zwaar en ernstig en lijken net als de Egyptische piramiden voor de eeuwigheid bestemd. Sant'Elia geldt als een voorloper van het modernisme, maar van de Città Nuova is eigenlijk heel weinig terug vinden in de lichte, modernistische gebouwen uit de jaren twintig en dertig van deze eeuw. Zijn architectuur bleek dan ook alleen geschikt voor een "monument voor de gevallenen' in Como, zijn geboorteplaats en trouwens ook die van Giuseppe Terragni, de belangrijkste architect van het Italiaanse rationalisme, die het monument in 1930 uitvoerde.

De laatste twee jaar van zijn leven hield Sant'Elia zich niet meer bezig met zijn Città Nuova. Misschien had hij het druk met zijn werk als socialistisch gemeenteraadslid in Como, misschien ook had hij zijn thema van de waterkrachtcentrale volledig uitgeput. Hij legde zich toe op "gewone' architectuur en had ondanks zijn in zijn manifest beleden afkeer van versieringen geen moeite met het maken van een ontwerp voor façade-schilderingen van een school in Como. Zijn laatste ontwerp maakte hij als soldaat voor het kerkhof van zijn eigen Arezzo-brigade. Hij kwam er als een van de eersten te liggen.