Nigel Hawthorne als innemende koning George III: braaf en tiranniek; Theaters in Londen blijven bloeien

LONDEN, 7 APRIL. Hoeveel Engelsen ook hun huizen moeten verkopen, en hoe moedeloos de winkeliers ook worden van de zuinigheid van de klanten, de Londense theaters bloeien voort. Zij hoeven niet eens hun toegangsprijzen te verlagen; integendeel, die volgen de inflatie. Het is een Engels Wirtschaftswunder. Al tientallen jaren wordt gezegd dat het afgelopen zou zijn als de Amerikaanse en Japanse toeristen wegbleven, maar in maart zijn dat er altijd weinig; toch blijven de theaters goede zaken doen, en er is er net weer een bijgekomen.

Het enige teken van zwakte is dat ze teveel muziek maken, niet alleen in musicals zoals The Phantom of the Opera en Les Misérables, ook in wegwerp-constructies waarvan de aantrekkelijkheid bepaald wordt door liedjes van vroeger en jolige dansen. Daar heeft de toneelganger weinig aan; al klinken de liedjes verschillend, de pret die er heerst is altijd ongeveer hetzelfde.

Toch blijft er genoeg toneel over om een week mee vol te pakken, zelfs al wordt die week langer nu er matinees op zondag bijkomen. Dat mocht vroeger nooit, net zomin als er op zondag betaald mocht worden voor voetbalkijken, maar de Lord's Day Observance Society heeft weinig meer in te brengen. Twee theaters (Albery en Cambridge) zijn begonnen met zondagen; veel andere denken erover en kijken hoe het gaat. Over een jaar is het in Londen misschien net als in Parijs, waar ieder theater zijn eigen vrije dag kiest.

Waarmee een week volgepakt zou moeten worden is voor een deel nooit op een termijn van meer dan een dag of tien te zeggen. De voorstellingen van de fringe (de kleine theaters buiten West End) wisselen te snel; daar moet de bezoeker de wekelijkse programmabladen Time Out en What's On voor raadplegen, en dan hopen dat het niet tegenvalt.

Wel kan voorlopig nog gerekend worden op Dancing at Lughnasa, het stuk van Brian Friel over zusters en een broertje op een arme boerderij in Donegal in 1936 (Garrick Theatre). Wie dat al gezien heeft nu het een jaar loopt moet meteen doorverwezen worden naar Alan Bennetts The Madness of George III in het National Theatre. Dat loopt pas drie maanden, in repertoire, dus niet dagelijks, en soms een hele week niet; de voorstellingen zijn vaak uitverkocht, maar voor vroege opstaanders is er iedere keer weer hoop (day seats).

Koning George III (1760-1820) leed eerst periodiek en na 1810 voorgoed aan een stofwisselingsziekte die pas lang na zijn dood gedefinieerd is en porphyria genoemd. Hij had veel pijn en verloor de beheersing over zijn lichamelijke functies en zijn gedachten, zodat hij in het spraakgebruik voor gek doorging en de Prins van Wales zich telkens verheugde op het regentschap dat hem toe zou vallen. In 1810 begon inderdaad de Regency; nog niet in 1788/89, toen de aanval maar vier maanden duurde, en in die tijd speelt Bennetts stuk, over de ziekte, de politiek en de familieverhoudingen (de opstandige prins, de toegewijde koningin, de statige matresse). In een voorwoord bij de gedrukte uitgave vertelt Bennett onbevangen van de vele veranderingen die hij tot laat in de repetities heeft moeten maken om de verschillende thema's tot dramatisch leven te brengen; en ook van de vrijheden die hij heeft genomen met de historische gegevens.

Het stuk is een complex bewegend geheel geworden, dat met ieder van zijn zeven-en-twintig scènes iets bijdraagt aan ons begrip van de situatie en zonneklaar is in zijn beoordeling van de personen. Het had iets donkerder van emotie mogen zijn, maar de lichte kleuren passen bij de achttiende eeuw, en op den duur raakt het hele publiek in de ban van Nigel Hawthornes vertolking van de koning.

Hawthorne is in binnen- en buitenland het best bekend als de hoge ambtenaar met de asymmetrische glimlach in de TV-komedie Yes, Minister, maar hij heeft al eerder laten zien, als C.S. Lewis in Bill Nicholsons Shadowlands vooral, dat zijn bereik groter is. Nu speelt hij de rol van zijn leven, althans van zijn leven tot nog toe. George is in zijn interpretatie zowel braaf, onzeker en beklagenswaardig als tiranniek, goed geïnformeerd en grappig. Dat wij met hem begaan zijn komt niet doordat hij bijzonder innemend lijkt maar doordat hij er allemaal niets aan kan doen, noch aan zijn karakter noch aan de ziekte die hem kwelt met pijnen en kriebels.

Zelden zal iemand een preciezer gevoel opdoen dat wij elkaars gelijken zijn dan bij het meeleven met deze koning. Het is een voorstelling niet alleen om te gaan zien maar om te beleven. Tenslotte komen wijzelf dan toch weer asymmetrisch glimlachend de zaal uit bij de herinnering aan Bennetts beeld van de artsen die met elkaar samenspelen om zolang mogelijk rekeningen te kunnen sturen zonder dat zij vermoeden waar de ziekte in zit: Latiniserende artsen uit de Molieraanse school.

In een andere zaal van het National Theatre speelt zich een voorstelling af die ook op het programma van de ambitieuze bezoeker moet staan: Tsjechovs Uncle Vanya in een vertaling van Pam Gems, met Ian McKellen, Antony Sher, Eric Porter en Janet McTeer. Wat een bezetting! - alleen moet de bezoeker daar nog langer voor in de rij staan dan voor George III. Misschien is een compromis te verkiezen: Tennessee Williams' The Night of the Iguana, ook in de National, met Eileen Atkins die net zo krachtig en eigengereid is geworden als Glenda Jackson.

Daarna moet in ieder geval gebruik gemaakt worden van de grotere toegankelijkheid van Ariel Dorfmans Death and the Maiden nu dat uit de Royal Court overgebracht is naar het Duke of York Theatre. De onvoltooide wraakoefening van een Chileense vrouw op de arts die haar vijftien jaar geleden in de gevangenis gemarteld en verkracht heeft wordt spannend zowel in de handeling als in de discussie tussen de vrouw, de man en de arts over vergelding en verzoening. Het speelt in Chili; het had even goed Rusland of Duitsland kunnen zijn. Juliet Stevenson die de toon van de voorstelling bepaalt speelt haar rol tot half april; dan moet een nieuwe actrice zich even gepassioneerd en redelijk proberen voor te doen. Onveranderlijk is het gebruik dat Dorfman maakt van het kwartet van Schubert waar zijn stuk naar heet. Marteling en kwartetmuziek: het is niet de eerste keer dat wij van die combinatie horen, maar hier klinkt de muziek persoonlijker dan tevoren wanneer de vrouw hem aanzet om de ontmoeting in de gevangenis terug te roepen.

Verder: Ron Hutchinsons Pygmies among the Ruins dat Dorfmans stuk is opgevolgd in het Royal Court Theatre heeft niet zo'n gevoelige vaste greep op zijn thema, maar prikkelt ook ons begrip voor de uitwerking van politiek geweld. De hoofdpersoon is een politiefotograaf in Belfast die in de war raakt van al de moorden die hij geregistreerd heeft en een verband gaat leggen met een moord van honderd jaar tevoren, om de gewelddadige conditie van Noord-Ierland te analyseren. Zijn redeneringen wordt niet overtuigend voor een buitenstaander; wel zijn gevoel dat de toestand historisch doordacht moet worden om te kijken of ermee te leven is, en zijn negatieve conclusie.

De RSC is teruggekeerd in het Barbican Theatre met de twee delen van Henry IV zoals ze vorig jaar in Stratford gezien zijn; Paul Scofield en Vanessa Redgrave beginnen met Heartbreak House van Shaw in het Haymarket Theatre; Albert Finney komt in de Vaudeville met een nieuw stuk van Ronald Harwood, Reflected Glory; en het Arts Theatre brengt Shakespeare in verkorte vorm: all 37 plays in 2 hours, door een nog niet genoemde bewerker. Wie zich de Hamlet-in-drie-minuten herinnert van Tom Stoppard twaalf jaar geleden kan zich voorstellen dat de vertoning in de Arts onderhoudend zal zijn, hoewel zo afmattend dat die ene avond meteen genoeg is voor een hele week.