Minister solt met wet op het erfrecht

Hirsch Ballin versus notariaat. Daar komt het op neer bij de vraag hoe de wet het erfrecht tussen ouders en kinderen dient te regelen. Aan de desbetreffende wetgeving wordt al veertig jaar gewerkt. De huidige regeling dateert van 1838, met een wijziging in 1923. De economische en sociaal-politieke verhoudingen zijn sindsdien drastisch gewijzigd.

In 1969 kwam als onderdeel van de operatie "Nieuw Burgerlijk Wetboek' Boek 4 (Erfrecht) wel door de Tweede Kamer, maar wegens verzet van de notarissen, die pas in de Eerste Kamer gehoor vonden, kon de minister die wet niet invoeren. Het gaat om het optimaal erfrecht in de wet. Het huidige erfrecht beschermt na overlijden van de eerste ouder meer de kinderen dan de andere ouder. Die erft slechts een kindsdeel.

Gelukkig kent ons recht een grote vrijheid om bij testament iets anders te regelen dan in de wet staat. Tussen ouders en kinderen zit alleen nog de legitieme portie soms in de weg. Sinds 1945 heeft de Hoge Raad echter een verzorgingstestament tussen man en vrouw juridisch laten prevaleren boven de aanspraken der kinderen. Het moeten uitkeren van de erfdelen der kinderen kan de langstlevende ouder inderdaad in ernstige moeilijkheden brengen. Daarom worden per jaar minstens vierhonderdduizend testamenten gemaakt. Een vergeten wetsartikel (1167) werd van stal gehaald om ervoor te zorgen dat de echtgenoot eigenaar wordt van alle goederen en dat de kinderen genoegen moeten nemen met een bedrag in geld dat ze pas na het overlijden van de tweede ouder kunnen opeisen, als er dan nog wat over is. Dit systeem noemt men "de ouderlijke' boedelverdeling. Zo zit in gezinssituaties naar schatting thans tachtig à negentig procent van de testamenten op het langste leven in elkaar. Reeds lang vinden de notarissen in het belang van hun publiek dat deze regeling de wettelijke regeling moet worden, zodat zeer veel testamenten overbodig zijn.

Nadat in 1982 een wetsvoorstel van de minister (met een vruchtgebruiksregeling) door de notarissen onaanvaardbaar werd bevonden, kwam hij in 1991 met een nieuw voorstel. Daarover ruziën thans ministerie en notarissen. Deze laatsten hebben zich helaas vorig jaar (terwijl de tekst van het wetsontwerp nog niet beschikbaar was) op advies van het bestuur der Koninklijke Notariële Broederschap laten verleiden tot het oordeel dat het voorstel "werkbaar' was.

Dat was niet van harte. Bij een politiek klimaat dat nog steeds de kinderen een sterke bescherming wilde geven en met onwillige wetgevingsambtenaren werd van twee kwaden de minste gekozen. Voortgaan met de sterk verouderde wetgeving was immers niet langer verantwoord. Dan maar een stelsel zoals de minister wil: vruchtgebruik met vervreemdingsbevoegdheid, (gedeeltelijke) toeëigeningsbevoegdheid en zonder zaaksvervanging. Alleen de terminologie geeft al te denken. Het voorstel is niet praktisch hanteerbaar en de langstlevende wordt te veel aan banden gelegd. Dat waren ook in 1969 de argumenten voor het feitelijk stranden van de toenmalige wet.

Kort na het notariële akkoord kwam de minister met het tekstvoorstel. Onder leiding van Van Mourik, zeventien jaar hoogleraar in Leiden/ Nijmegen, en bovendien notaris, werd het voorstel alsnog gekraakt. Ruim zeventig procent van de notarissen sprak zich uit tegen het voorstel van de minister en ruim negentig procent gaf opnieuw de voorkeur aan een wettelijk systeem gebaseerd op de ouderlijke boedelverdeling waarvoor Van Mourik een ontwerp maakte.

De voorkeur van de notarissen is geen persoonlijke. Zij steunt bij elke notaris op de elk jaar honderden malen gehoorde wens van het publiek. Een minister die via zijn ambtenaren iets anders meent te weten, legt het daartegen af. De minister stelt in De Telegraaf van zaterdag 4 april dat hij wordt gesteund door het notariaat, maar hij weet ook dat hij die gezagsgetrouwe groep eerst zelf op het verkeerde been heeft gezet door zich over de politieke haalbaarheid zo stellig uit te laten. Nu de notariële mening, die representatief mag worden geacht, zo onomwonden onder zijn aandacht is gebracht zou hij volksverlakkerij plegen als hij niet van zijn standpunt terugkomt.

De minister heeft de hertrouwers voor ogen en legt de dreigende stiefmoederlijke bedeling ten grondslag aan een wetsontwerp. Wie een groot vermogen heeft (ongeveer 95 procent van Nederland zit echter onder de ƒ 100.000) of wie zijn of haar leven juridisch ingewikkelder heeft gemaakt door meer dan één huwelijk en kinderen uit verschillende relaties, heeft veelal notariële hulp nodig. Dat betreft ongeveer twaalf procent van de gevallen. De wet kan nooit voor alle gevallen een oplossing geven en de voorgestelde regeling doet dat praktisch ook niet. Voor een grote groep van gevallen behoort echter de wet een gratis oplossing te geven in plaats van de notaris. De complicaties van tweede huwelijken met kinderen uit het eerste huwelijk zijn tweeduizend jaar onderwerp van aandacht van juristen geweest. De bescherming die kinderen uit een eerste huwelijk in onze wet - op basis van de Romeinsrechtelijke lex hac edictali - genoten, werd in 1970, terecht, als zijnde discriminerend, afgeschaft.

Waar het om gaat is een wettelijke regeling als volkserfrecht in veel voorkomende situaties. Als de man als eerste overlijdt, hetgeen in driekwart van de gevallen de realiteit is, dient de vrouw een zo sterk mogelijke positie te hebben, die juridisch niet ingewikkeld is en geen dure notariële hulp vergt. Het wetsontwerp van de minister voldoet daaraan niet, het alternatief van Van Mourik wel. Hij wordt ook van wetenschappelijk kant gesteund. De keuze is aan het parlement en niet aan de minister.