Mannetjes

Na Meerkerk lopen we langs de Oude Zederik, zo'n watergang die min of meer op de polder ligt. Na een tijdje komen we bij een bord met een toelichting. "Zuid-Holland op z'n mooist', zegt dat bord, waarop Jakob te kennen geeft dat hij daar heel treurig van wordt.

“Is het niet mooi dan?”

“Maar zo klein”, zegt Jakob. “En als je dan bedenkt dat de rest van Zuid-Holland dus minder mooi is.”

We gaan onder een snelweg door, de A27, vermoedelijk speciaal aangelegd om te voorkomen dat het hier behalve mooi ook stil zou zijn, en komen terug aan het water. Tegen de rietkraag aan de overkant dobberen twee zomertalingmannetjes. Ze hebben die witte veeg over het oog, die zo schitterend oplicht in de zon. Steeds zeldzamer worden ze, en steeds mooier.

Normaal is een vingerknip genoeg om zomertalingen op te jagen. Dit keer zijn ze anders. Zo stil, zo in zichzelf verzonken liggen ze daar, dat we even aan lokeenden denken. Kennelijk te moe om uit hun ogen te kijken.

“Misschien zijn ze net terug uit Afrika”, zeg ik, want dat kan gebeuren in deze tijd van het jaar, dat je vogels ziet die net een waanzinnig eind gevlogen hebben.

Dan wijst Jakob op het zomertalingwijfje, wat dieper in het riet. “Of ze hebben de hele ochtend liggen rotzooien”, oppert hij met een mengeling van afgunst en respect.