Macedonië

In zijn brief (NRC Handelsblad, 11 maart) schrijft dr. Th.B. Kraft dat de Griekse allergie voor de naam "Macedonië' als aanduiding voor de republiek van Skopje, voor buitenstaanders moeilijk te begrijpen is.

Voor wie enigszins op de hoogte is van de Griekse geschiedenis en van de politieke omgangsvormen op de Balkan, is die allergie niet zo onbegrijpelijk. Zeker niet als men weet dat er in Joegoslavisch Macedonië (Skopje) een politieke stroming (de VMRO) is die hardop roept dat Thessaloniki "Macedonisch en dus van ons' is. De regering in Skopje heeft weliswaar twee artikelen uit de grondwet geschrapt (kennelijk gaat dat daar gemakkelijk), waarin aanspraken op Grieks en Bulgaars grondgebied waren vervat, maar het is wat naïef te veronderstellen dat daarmee dan ook de gedachten aan territoriale aanspraken zijn verdwenen.

Gezien het feit dat men in Skopje bankbiljetten drukt waarop de Witte Toren van Thessaloniki (hèt symbool van de stad) staat en er op grote schaal landkaarten worden verspreid, waarop Grieks-Macedonië is afgebeeld als "bezet gebied', is enig wantrouwen aan Griekse zijde terecht. Wanneer men daarbij bedenkt dat de Grieken de hardvochtige bezetting van delen van Noord-Griekenland door de Bulgaren nog niet vergeten zijn, dan is de opwinding over "Macedonië' begrijpelijk.

De bewering van M.F. Fresco (11 maart), dat de klassieke Macedoniërs in wezen geen Grieken waren, is onzinnig. Hij moet maar eens gaan kijken in het archeologisch museum van Thessaloniki, waar de - overigens zeer fraaie - bewijzen van hun Griekse identiteit zich opstapelen. Het is te hopen dat het bewind in Skopje, zoals prof. B.K. Janevski in diezelfde krant beweert, goede betrekkingen met de buurlanden wil. Voor "Skopje' is een goede relatie met Griekenland zowat de enige mogelijkheid om economisch te overleven. Het tonen van een beetje goede wil kan daarom geen kwaad.